We willen weer kikkerdril (272)

Over ikjes, het nieuwe coronastrijdlied van Gerry en een lepeltje

Laten we het maar gezellig houden vandaag. Er was ene Delphine Lecompte die in de NRC (voorheen kwaliteitskrant hoor je er dan minachtend bij te schrijven, maar dat doe ik niet) tekeer mocht gaan tegen “verwerpelijke dichters die nu zorgzaamheid uitdragen”. Ik had gehoopt op een lezenswaardig betoog tegen het fenomeen van de dichters die vandaag de dag over het Coronavirus rijmen als was het een geliefde. En daar zou ik het dan al dan niet mee eens kunnen zijn. Maar Delphine broddelde maar wat aan en koketteerde vooral met zichzelf en haar, vindt zijzelf, ruige levensstijl met veel seks en drank. Stoer hoor! Was dat in de jaren zestig …

Ze heeft zogenaamd niets op met dichters die succes hebben, maar verwijst wel subtiel naar haar eigen Cees Buddinghprijs voor haar debuut in 2009. Heeft ze destijds niet geweigerd, ze stond maar wat graag op dat podium, en ze heeft het er zelfs nu, meer dan tien jaar later, nog over. In die tien jaar heeft ze dan ook bitter weinig succes gehad. Haar doorbraak was het zeker niet, en ik vrees dat die nog even op zich laat wachten.

Lees verder We willen weer kikkerdril (272)

Letters waaien weg (249)

Over ikjes, de nieuwe layout van dit intro en de pareltjes van Timmerark

Om te janken was het ikje van Janke J. de Paauw-Westra, die haar 3-jarig kleinzoontje ten tonele voerde. Hij was verdrietig. Waarom? „Omdat ik drie ben, ben ik verDRIEtig. Als ik vier ben, niet meer.” Een van de slechtstgeschreven leuterkleinkindikjes ooit, vond iemand. “Ik moet er niet aan denken wat dit kind zegt als het acht is,” huiverde Lummel. “Mijn god (…) wat een verdriet. Om te janke, zeg dat wel” vond ook Bertie ervan. Jokezelf vond het ikje wel grappig, maar dat komt volgens haar vooral omdat ze zelf ook een kleindochter van drie heeft die dit soort dingen weleens zegt. Ben je klaar mee! Maar “ik ga dat alleen niet in de krant zetten”. Dat bedoelen we. Klare Taal trok het breder: “De ikjes zijn nauwelijks meer te pruimen, ouders over hun kinderen, grootouders over kleinkinderen, veel gezemel en gezeur zelfs geen grimlachje komt voorbij helaas.”

Lees verder Letters waaien weg (249)