Over wolven

 

Over wolven

 

Laten we het eens hebben over wolven

In sprookjes wordt je eronder bedolven

Ze vallen vrouwen aan onder het kolven

maar zijn ze nou echt zo gemeen die wolven?

 

De een zegt het zijn toch net lieve honden

Ik heb nog nooit iets rottigs over ze gevonden

De ander zegt ze vreten geiten

dat zijn natuurlijk wel de kille feiten.

 

We weten allemaal dat die zeven biggen

geitenspiesjes in de vriezer hadden liggen

Zelf ontsnapten ze dus de dodendans

Maar die geiten hadden geen enkele kans

 

Daarom ondanks die vieze zwarte haren

En die scheve gele ogen die zo staren

Vind ik zelf een wolf nog niet zo kwaad

‘t is het varken dat ik haat!

 

 

(op verzoek geschreven voor mijn neefje dat wolven haat)

Advertenties

Een uit zijn bek stinkende hijger

 

Wie staat daar zo vals

 te loeren op die steiger? 
 

Wie is die naar vis

uit zijn bek stinkende hijger?

 

Wie is dat met die

 speerpunt als een krijger?

 

Het is vol afschuw dat ik

die naam te noemen

 weiger.
 

 

 reiger onherkenbaar

Eerder verschenen op drasties, uit de bundel Hard voor de Natuur, ©2010, Apiedapie, voorpublicatie; met dank aan ramirezi voor het plaatje van dit gemene beest.  Ik zou het wel weten als ik hem voor mijn lens zou krijgen. En dat meen ik! Kijk dat visje nou! Zielig!
 

 

Rotopmerking

Het was vanmorgen te druk op kantoor. Teveel emails. Te veel telefoontjes. Teveel zeurtjes. Ik was niet aan lunchen toegekomen.
 
Het is al tegen half drie als ik flauw van de honger over straat ren, op zoek naar een broodjeszaak die nog open is.

Een zwerver met diepliggende ogen houdt mij staande. Hij strekt zijn hand uit en zegt “Ik heb honger”.


“Ja, ik ook” zeg ik en loop zonder de pas in te houden door.

Pas later besef ik wat een rotopmerking dat was.

Kaartjes en vrouwen ik kan zo intens van ze houwen

Geen wolken maar buitjes. Kijk er naar luitjes

Oh, als ik vandaag eens dollen kon, met Ilona in de volle zon

Regen en windjes, op de akkers verrotten de bintjes

Kan het iemand bommen wat het weer wordt verdomme?

Ik ga slapen ik ben moe, eerst nog naar ‘t kaartje toe

De zon schijnt, hop eruit, je leeft, je bent, je moet vooruit

Jan’s kaartje rot toch op, we willen echte zon op onze kop

Wat ik me afvraag met zovelen, kan God een wolkbreuk helen?


File tussen Eembrugge en Barneveld, vanwege kip ongesteld

File tussen Eembrugge en Barneveld, daar komt de haan al aangesneld

File tussen Eembrugge en Barneveld, het eitje werd dus afbesteld


Het weer is niet altijd fantasties, gelukkig is er drasties

In het land der blinden kun je niemand vinden

Postje hier, blogje daar, kom maar wolken, sneeuwt u maar

Kiele kiele kiele, wat lief: een baby file!

Kaartjes en vrouwen, ik kan zo intens van ze houwen


Wist niet dat het bestond, een file mollen in de grond

Mensen wat een klucht, vier kilometer meeuwen in de lucht

Vrede op aarde op de weg tussen Zwolle en Naarde

Er is een auto gesignaleerd tussen Tilburg en Weert

De vissen zwemmen in het water, dat wordt een buitje later

Beter een grauwe grijze lucht, dan voor ‘t leven op de vlucht

Bloemlezing uit Apie’s weer- en verkeerrijmpjes, eerder verschenen op drasties bij het weerkaartje en de filemeldingen.

Bonkende wieltjes op Brussel-Zuid

De Thalys stopt. Ik weet dat ik niet meer dan zesentwintig minuten heb. Ik ren naar beneden. De wieltjes van mijn koffertje bonken achter me aan op de vierkante treden van de roltrap.
 
Ik sla rechtsom richting de hamburgerkraam. Ik moet en zal mijn hamburger scoren. Twee lieve oude mensjes bakken ze al jaren op een ijzeren plaat. Zwartgeblakerde sliertjes ui. Ketchup en mosterd uit een plastic fles, met de opgedroogde restjes rond de dop. Midden in de stationshal van Brussel-Zuid.

Maar vandaag … zijn ze er niet meer.

 
Op de plek van het kot staart me nu een glimmende fastfood aan. Het personeel draagt gele petjes en rode schortjes.
 
Ik sleep me terug naar het perron. Ik eet vandaag in de restauratie. Broodje zalm. Met weemoed.

(in iets andere vorm eerder verschenen op drasties, moet kunnen, mijn verdriet is nog altijd groot, nooit meer zo’n lekkere hamburger gegeten)

Niet van kauwen

Ik hou trouwens ook

 niet van kauwen
van mij mag je ze houwen
zitten constant hun geslacht

 in hun kauwenvrouw te douwen
ondertussen wel gewoon snavels

vol vreten te verstouwen
als ze zich in hun zaad verslikken

 zal ik daar niet om rouwen. 
 
 
 
uit de bundel “Hard voor de Natuur”, ©2010 Apiedapie, voorpublicatie.


Ik had mogen neuken

tunesie
Photo: (c) A. Dapie

Lang geleden was ik op vakantie in Tunesië. Het was de eerste keer dat ik een arm buitenland bezocht. Ik was tot dan niet verder dan Spanje gekomen.
 
Diep geschokt liep ik rond. Ik had nog nooit openlijke armoede gezien. Mensen in lompen gehuld. Kinderen die aan je broekspijpen hingen.  In doeken gewikkelde vrouwen die met baby’s op de arm liepen te bedelen. Ik gaf, achteraf gezien, veel te veel geld weg.
 
 Nooit zal ik vergeten wat er eentje tegen me zei, in het Frans, terwijl ze mijn geld weggriste: “Nou, daarvoor had je me ook mogen neuken!”
 
Ik hoorde diepe minachting in haar stem.
 
 
 Eerdere versie verschenen op drasties, foto: ©Apiedapie

Ik wou dat die afwas

Zegt er nog iemand ‘de vaat’ in Nederland? De vaat doen ? Samen met tegenstribbelend broertje of zusje altijd een dagelijks corvee. Ruzie wie mocht wassen en wie mocht drogen. En later toen we groter werden een slagschaduw over etentjes en feestjes. Die spanning! Zouden de gasten aanbieden om de vaat te doen, voordat ze al dan niet dronken in hun autootje tolden?  En zouden ze het aannemen als je voor de vorm zei ‘Ben je gek, joh, die doen wij wel, morgenochtend! Laat lekker staan, nee echt!’. De doffe ellende als ze dan inderdaad opgelucht het huis verlieten. En omgekeerd, de spanning als je zelf op visite was, of je het aan zou moeten bieden, hoe je het zou zeggen, wanneer, en of ze het zouden accepteren. Wat is eten en feesten met vrienden nu saai geworden. Want de komst van de afwasmachine heeft aan die spanning voorgoed een einde gemaakt. Aanbieden om de machine in of uit te ruimen is toch echt iets anders.
 
 


 
 
Door omstandigheden leef ik nu al weer een klein jaar zonder. De ouwe was kapot, een nieuwe werd uitgesteld.  En hoe vreemd het ook klinkt, ik wil niet anders meer. Niets is zo rustgevend als lekker met je handen in het hete sop te spelen, op zoek naar een verloren mes, intussen aan niets of juist aan alles denkend.  Niets is zo bevredigend als de smurrie uit de gootsteen te spoelen, nog even met een vaatdoek  de sopresten eruit, kraan erover, hopla: schoon!
 
 


 
 
Ik leer ook van mijn afwas. als je het elke dag doet, is het een snel, prettig karweitje. Maar als je het dagen laat staan, dan wordt het een opgave. Toch weer die slagschaduw boven je bestaan. Je ziet de groeiende afwasbelt in de keuken iedere keer op weg naar de koelkast. Je moet er diep van zuchten en je neemt je voor om hem zo meteen ‘te doen’. Dat vreet energie.
 
Maar als je dan echt geen schoon glas meer hebt, geen schoon schaaltje voor de brinta, geen normale koekepan, en als je met een oud zilveren gebaksvorkje van je oma’s servies in je aardappelen moet prikken, dan zit er niets anders op. Met een diepe zucht begin je eraan en … he … wat gek … het is eigenlijk prima. Vanaf het eerste bord. Het is rustgevend. En het is toch weer zo gedaan.
 


 
 
Meteen maar doen, al die dagelijkse taakjes, dingetjes, belletjes, opruimerijtjes. Hoe sneller je het allemaal wegwerkt, of het nou de afwas, de administratie of dat vervelende telefoontje is, hoe zenner je bent. En hoe beter je kunt concentreren op waar het in het leven echt om gaat. Wandeling door de duinen. Winkelen zonder doel. Muziek luisteren. Goed gesprek met een vriend. Echt naar een ander luisteren.  Een bloggie schrijven. Niet gehinderd door dat knagerige gevoel van: ik! wou! dat! die! afwas!
 

Wat ik leer van meeuwen

Ik leer veel van meeuwen. Ze zijn er gewoon. Elke morgen weer zitten ze op de klif. Te kijken of er iets te eten is. Te kijken of er geen onraad dreigt. Te kijken of er wat te paren valt.

 Ze vliegen op. Laten zich door een luchtstroming ergens heen voeren. Alleen maar bijsturen, gebruik makend van de juiste wind. Waar dat heen is? Ze zien wel. En dan gaan ze weer op een andere rots zitten. Een schutting. Een paal. Het strand. Ze gaan gewoon ergens anders zitten. En kijken dan weer: eten, gevaar, liefde. meeuwzit

Ik zal het nooit echt zeker weten, maar ik denk niet dat ze zich zorgen maken. Dat ze een rothumeur hebben. Klagen over iets dat gisteren is gebeurd. Of bang zijn voor iets dat misschien vandaag gaat gebeuren. Zich afvragen waarom alles gebeurt wat er gebeurt. Ze zijn er gewoon.

Ze zijn gewoon.

Gisteren zag ik een grote zilvermeeuw met een krab. Da’s een hele maaltijd. Meer dan alledaagse kost. Meestal zijn het kleine hapjes hier en kleine snippertjes daar. Wat ie deed? Toestoten, pakken, niet laten vallen. En laag over de golven naar een veilige plek. Oppassen dat niemand hem zag. Half uurtje bezig geweest met openkraken en oppeuzelen. Kraaien op veilige afstand om de resten op te ruimen. Daarna? Snavel afspoelen in zee. En weer opvliegen. Dat was alles.

En vanochtend begon er weer een nieuwe dag. Van zitten. Kijken. Vliegen. Scoren. En doorgaan. Er gewoon zijn. Leven. Totdat het voorbij is er gewoon het beste van maken. Ik kan een voorbeeld nemen aan meeuwen.

 meeuwlucht