En we gaan nog niet naar ’t huis

 

En we gaan nog niet naar ‘t huis
Verpleeghuis, verpleeghuis

En we gaan nog niet naar ‘t huis
Verpleeghuis is niet pluis.

En al was het pleeghuis pluis,
Dan gingen we niet, dan gingen we niet
En al was het pleeghuis pluis,
Dan gingen we niet naar ‘t huis.

Nooit naar ‘t huis gaan nooit naar ‘t huis gaan

Laat mijn moeder niet naar ’t huis gaan

Nooit naar ‘t huis gaan nooit naar ’t huis gaan

Laat mijn vader niet naar ’t huis gaan.

 

En we gaan nog niet naar ‘t huis
Verpleeghuis, verpleeghuis

En we gaan nog niet naar ‘t huis

Verpleeghuis is niet pluis.

 

Swaffelpaniek in Parijs

Parijs, 8 november 2010 – Een uit de hand gelopen onderzoek van nieuwe vkblogger Apiedapie heeft dit weekend voor grote paniek gezorgd in de Franse hoofdstad. Zijn hoogstpersoonlijke verslag van de gebeurtenissen volgt hier integraal:  

Toen ik las dat de verkiezing van het Nederlandse woord van het jaar 2010 binnenkort van start gaat, gingen mijn gedachten terug naar twee jaar geleden.  Swaffelen, oftewel het “met het mannelijk geslachtsdeel tegen een object aantikken om aldus opgewonden te raken” (van Dale), was toen de merkwaardige winnaar. Het zorgde voor bevreemding bij expats, en voor geamuseerde internationale aandacht in de media. Het was toen dat onze internationale reputatie definitief de weg naar beneden leek te hebben ingezet.   

Swaffelen bleek onvertaalbaar, ‘penish-shaking’ kwam er dichtst bij, gevolgd door de uitleg dat dit “an English slang verb” is “meaning to swing one’s exposed penis, more specifically requiring the penis in question to swing toward or bump against another person or object.” Tja … woord van het jaar 2008 in Nederland. Zucht.

Veel ophef destijds, maar is onze reputatie blijvend beschadigd? Dat vroeg ik me af. Om dat uit te vinden besloot ik te gaan reizen. Dit weekend ging ik om te beginnen naar Parijs. Ik hoop voor het einde van dit jaar ook andere hoofdsteden te bezoeken.

Bij aankomst op Gare du Nord, vrijdagavond, keek ik gespannen om me heen, toch ook wel weer een beetje bang dat iemand me als Nederlander zou herkennen. Maar de Fransen liepen net zo onverschillig en gestresst rond als altijd. Ik schoot een enkeling aan, maar gaf het al snel op. Van mijn gefluisterde vraag of “swaffelen” hen iets zei, werd geen Fransman warm of koud. Net zomin als van mijn met een Frans accent uitgesproken “penis shaking“. Ze liepen door alsof ik een bedelaar of een de weg vragende Amerikaanse toerist was. Ze namen in feite niet eens de moeite om hun neusjes voor me op te trekken. 

Ik ging naar mijn hotel en dacht na. Het enige dat er op zat was om de proef op de som te nemen. Hoe vervelend het ook was, ik moest zelf gaan swaffelen (had ik nog nooit gedaan, erewoord) en op straat kijken of voorbijgangers het zouden herkennen. En dan als typisch “Neerlandais” zouden bestempelen. Had ik maar geweten hoe vreselijk het uit de hand zou lopen.

Het begon eigenlijk best prettig. In het miniscule badkamertje nam ik eerst een douche en had daarbij een onbedoeld voortijdig swaffeltje met de wasbak. Toen zette ik mij, gehuld in mijn badjas, op het hotelbed. Met een muziekje aan om in de stemming te komen.  Ik begon voorzichtig te swaffelen.

In het begin vond ik er niet veel aan. Maar gaandeweg werd het een prettige bezigheid. Ik herinnerde me dat swaffelen staand of rondlopend dient te worden uitgevoerd. Ik begon dus rondjes door de kamer te draaien. Al gauw begaf de TV het, evenals de Victoriaanse staande schemerlamp. Ik ging meer en meer in het swaffelen op en verloor gaandeweg de beheersing over mijn daden.

Het rondlopen werd rondrennen.

Het rondrennen werd in opperste waanzin rondbonken.
  
Ik kon het op een gegeven moment niet houden en rende de gang op, het trappenhuis af, swaffelend tegen smeedijzeren leuningen en eikenhouten deuren, en stond … buiten!!! In het koude Parijs, acht graden Celsius, lichte motregen, donker.   
 
Had ik toen mijn razernij maar onder controle kunnen brengen.

Maar mijn swaffel zwaaide al tegen een lantarenpaal, een geparkeerde auto, en zelfs tegen een voorbijrijdende RATP-bus. Ik begon te draven. Eerst door het Bois de Boulogne. De dames en heren van plezier zijn daar veel gewend en konden mijn geswaffel nog uitwijken. Maar toen draaide ik de Champs d’Elysees op, de mooiste boulevard ter wereld, met die mooie lichtjes. Nu niet meer dus. Ook de Obelisk op Concorde bleef niet onbeschadigd.

Voorbijgangers bleven staan en keken sprakeloos toe, sommigen giechelden en wezen. Maar niemand leek het in verband met “Pays-Bas” te brengen. Prima! Ik had wel inmiddels een hele stoet politieauto’s achter me aan. Ik swaffelde verder en draaide de rechter Seine-oever op, het tunneltje bij Pont Alma. Ik moet werkelijk alle resterende pijlers hebben weggevaagd. Zelfs rondvaartboten werden uit het water gezwiept. Ik raasde door met papparazzis op mijn hielen. Motoren, zieken- en brandweerwagens, en anti-terreurbrigades … het leek wel een film!  

Ik zelf was, ik moet het bekennen, in uiterste staten van opwinding en kon absoluut niet stoppen. Ik kon alleen maar wilder en wilder swaffelen. Het kon niet groot genoeg zijn. Ik moest en zou … meer … steviger … woester … harder …. hoger … en toen … zag ik die enorme smeedijzeren toren aan de andere kant van de rivier. Die brug had ik niet over moeten gaan. Maar iets groters dan mij had bezit van me genomen.  

Die toren staat nu grondig uit het lood. Gustav Eiffel ligt te tollen in zijn graf. En ik zit nu hier op het commissariaat, 15e arrondissement. Met een beetje geluk kom ik volgende week vrij, zodat ik mijn onderzoek kan voortzetten.

Eerder in iets andere vorm verschenen op drasties. Voor de Volkskrant bewerkt en herplaatst op speciaal verzoek van mijn lieve vriendinnetje Dutchgoddess.
 

Jasje

Ik staar naar de lege lopende band en besef dat ik weer eens eerder dan mijn koffer ben aangekomen. Dit keer in Montreal, dinsdagavond laat.
 
Morgenochtend om half negen moet ik een vergadering voorzitten, gekleed in de muf ruikende spijkerbroek en sweater waarin ik heb liggen slapen.
 
De winkels zijn dicht.
 
Ik leg mijn probleem uit aan de nachtportier van het hotel. Hij kan me gelukkig een overhemd lenen en een ribfluwelen jasje.

De volgende morgen zit ik de vergadering ongemakkelijk voor. In de pauze komt een van de deelnemers naar me toe.

‘Leuk jasje!’, zegt hij veelbetekend.
 
Ik stamel een excuus, leg de situatie uit en zeg dat ik me normaal natuurlijk wel beter kleed.
 
Er valt even een stilte. Dan zie ik dat hij net zo’n jasje aan heeft. 
 
 
 
 
 
(eerder in iets andere vorm en met ander lettertype gepubliceerd op drasties)

Druk, druk, druk

Ik ben nog uit de tijd dat kantoorcollega’s die naar huis gingen met twee zware ‘loodgieterstassen’ werden bewonderd als  ‘belangrijk en druk’.
 
Nooit zal ik die keer vergeten toen de tas van een van hen in de lift opensprong en er een appel uitrolde, gevolgd door een broodtrommeltje, een pak speelkaarten, en de krant. Verder was de tas leeg.  

Tegenwoordig zie ik ze in de trein zitten met hun BlackBerries en iPhones, met de tong tussen de lippen ingespannen allerlei belangwekkende dingen aan het doen. Emails? Afspraken? Analyses?

Mijn buurman van vanmorgen zag er erg belangrijk uit. Strak in het pak. Stropdas. Ik kon het niet nalaten op zijn schermpje te gluren.
 
Ik zag een slangetje kronkelen dat hapjes moest opeten en blokjes ontwijken.
 
 
 
(eerder in iets andere vorm verschenen op drasties)

Rommelmarkt

We stonden gisteren op een rommelmarkt. Voor mijn negenjarige zoon een gelegenheid om oud speelgoed op te ruimen en te leren over zakendoen. Niet jokken over wat je verkoopt, maar ook niet alle gebreken ongevraagd onthullen. Het is per slot van rekening een rommelmarkt.

Een belangstellende voor zijn oude fietsje liet zijn dochtertje een proefritje maken en haalde zijn portemonnee tevoorschijn. Ik stond op om het geld in ontvangst te nemen.

Toen hoorde ik mijn zoon behulpzaam tegen het meisje zeggen: “Je moet niet te hard rijden, hoor, want dan loopt de ketting eraf.”
 
De vader fronste zijn wenkbrauwen. Ik keek hem schaapachtig aan.
 
Mijn zoon maakte het af: “Ja, en we hebben nog nooit iemand kunnen vinden die dat kan repareren.”
 
 
 
Eerder verschenen, iets andere versie, op drasties, zoontje is inmiddels elluf, en nog steeds goudeerlijk. Het fietsje staat nog altijd in de garage. 😦

Kaartjes en vrouwen ik kan zo intens van ze houwen

Geen wolken maar buitjes. Kijk er naar luitjes

Oh, als ik vandaag eens dollen kon, met Ilona in de volle zon

Regen en windjes, op de akkers verrotten de bintjes

Kan het iemand bommen wat het weer wordt verdomme?

Ik ga slapen ik ben moe, eerst nog naar ‘t kaartje toe

De zon schijnt, hop eruit, je leeft, je bent, je moet vooruit

Jan’s kaartje rot toch op, we willen echte zon op onze kop

Wat ik me afvraag met zovelen, kan God een wolkbreuk helen?


File tussen Eembrugge en Barneveld, vanwege kip ongesteld

File tussen Eembrugge en Barneveld, daar komt de haan al aangesneld

File tussen Eembrugge en Barneveld, het eitje werd dus afbesteld


Het weer is niet altijd fantasties, gelukkig is er drasties

In het land der blinden kun je niemand vinden

Postje hier, blogje daar, kom maar wolken, sneeuwt u maar

Kiele kiele kiele, wat lief: een baby file!

Kaartjes en vrouwen, ik kan zo intens van ze houwen


Wist niet dat het bestond, een file mollen in de grond

Mensen wat een klucht, vier kilometer meeuwen in de lucht

Vrede op aarde op de weg tussen Zwolle en Naarde

Er is een auto gesignaleerd tussen Tilburg en Weert

De vissen zwemmen in het water, dat wordt een buitje later

Beter een grauwe grijze lucht, dan voor ‘t leven op de vlucht

Bloemlezing uit Apie’s weer- en verkeerrijmpjes, eerder verschenen op drasties bij het weerkaartje en de filemeldingen.