Ik mag met mijn rijke neef een dag meevaren op zijn luxe jacht, op de Middellandse Zee.
Nog in de haven maak ik al trots foto’s voor thuis. De slaapkamers, de jacuzzi, het leren bankstel, de flatscreen-tv.
Lees verder “Luxe problemen”Vervolgverhalen, geschreven door Apiedapie of andere schrijvers
Ik mag met mijn rijke neef een dag meevaren op zijn luxe jacht, op de Middellandse Zee.
Nog in de haven maak ik al trots foto’s voor thuis. De slaapkamers, de jacuzzi, het leren bankstel, de flatscreen-tv.
Lees verder “Luxe problemen”
Januari 2011 – De winters in Nederland mogen dan minder koud geworden zijn, het blijven lange maanden, waarin de zon zich weinig laat zien en je alleen moed put uit de zekerheid dat het ooit weer lente zal worden. De voorafgaande vier jaren ontvluchtte ik de Hollandse winters steeds door in Thailand te gaan fietszwerven. Ongeorganiseerde reizen, waarvan alleen de vliegreis vaststond en de rest ter plekke moest worden ingevuld. Ik was twee jaar eerder een paar dagen in Kotha Baru, de meest noord-oostelijke plaats in Maleisië om een stempel in mijn paspoort te laten zetten en daarna weer een maand in Thailand te mogen verblijven. Ik vond het leven daar even aangenaam als in Thailand. Toen ontstond het idee om twee maanden in Maleisië te gaan fietsen. Lees verder “Mopperkont fietst door Maleisië”
Op Wieringen dachten ze nog steeds op een eiland te wonen, zelfs nadat het in 1924 aan de rest van Noord-Holland was vastgeplakt. Een slag apart, Enakskinderen die het leven hun wil opleggen, zo zagen de bewoners zichzelf het liefst. Buitenstaanders viel vooral de grote, geeluitgeslagen tanden op, nog verder uitstekend dan in de rest van de provincie.
In 1918 had de komst van de gevluchte Duitse kroonprins Wilhelm de genenpool tijdelijk verrijkt, maar eenmaal afgesneden van de zee hernam het door inteelt ingezette verval van de dorpelingen onmiskenbaar zijn loop. De lange, slungelige armen stonden naar de netten en het zeilgetouw, maar waren ongeschikt voor de bollen, laat staan dat ze gedienstig konden zijn in een stoomfabriek. Wieringen was verzand geraakt in de nieuwe tijd. Lees verder “’s Avonds bij de opgewarmde pasta een biertje (8)”
Groningen, 1952 Ik was 6 en moest naar de lagere school. Moeder was blij, want op de Gereformeerde kleuterschool waren er behalve ik alleen maar synodale kinderen geweest. “Daar kun je geen vriendjes mee worden,” had ze gezegd. Dus nu naar een school die strenger in de leer was: een artikel 31 omgeving met goede meesters en juffen. Dat was vertrouwd volk, want die zagen we ’s zondags twee keer in de Noorderkerk. Mijn ouders waren in de Gereformeerde kerkscheuring van 1944/45 meegegaan met prof. Schilder, oftewel ze waren “gereformeerd onderhoudende artikel 31”
geworden. Ik ben na mijn geboorte dan ook niet “verondersteld wedergeboren” gedoopt. Ik moest het zelf maar zien te rooien, dat wedergeboren worden.
Religie maakt meer kapot dan je lief is. Onder andere ons gezin.
Religie maakt meer kapot dan je lief is. Onder andere ons gezin. Later heb ik me, zo gauw dat kon, onttrokken aan de gemeenschap der Kerk. Ik had gemeenschap met een meisje gehad, dat smaakte naar meer en gaf ook meer voldoening, zodoende. Lees verder “Sprong in het heelal (3)”
Het is niet zonder tegenzin dat DSR de schrijfpen ter hand neemt om op herhaaldelijk en bijna intimiderend verzoek van Heer Rozenwater enige gedachten omtrent zijn geloofsleven aan het papier toe te vertrouwen. Zucht.
Hij weet immers dat het Heer Rozenwater nooit erg genoeg kan zijn en alles wat DSR prijsgeeft, tegen hem zal worden gebruikt door deze, naar hij zelf denkt, ongelovige zeloot met bekeringsdrang, die Saul van Tarsus op de onverbiddelijkste manier navolgt. (Zijn Paulus-moment zal ongetwijfeld komen, ooit, wanneer de weg naar Damascus weer is vrijgegeven. Ondertussen zitten wij er maar mooi mede.) Zucht.
Voor het geloof, of wat Heer Rozenwater daar zo graag voor door wil zien gaan – ‘t zal hem nog tegenvallen – moeten we terug naar de jeugd van DSR.
Lees verder “Het Geloof (onvoltooid feuilleton)”
Het was in de jaren tachtig. Het North Sea Jazz Festival vond nog plaats in Den Haag. En de mobiele telefoon was misschien al wel uitgevonden, maar nog niet echt in gebruik. Gelukkig maar. Voor mijn vader en mijn stiefmoeder. Rond deze tijd van het jaar vertellen ze het volgende verhaal aan iedereen die het horen wil. Wij – mijn zus en ik – kennen het uit ons hoofd.
Mijn vader zat in de taxi. Op weg naar North Sea Jazz. En naar misschien wel de belangrijkste date van zijn leven. Zij kwam uit Amsterdam. En hij uit Delft. Ze kenden elkaar van de middelbare school. Waren beiden voor elkaar de “eerste” geweest. Beiden waren ze met iemand anders getrouwd en ze hadden elkaar twintig jaar niet meer gezien. Op een schoolreünie waren ze weer met elkaar in contact gekomen. Haar man was overleden. En mijn vader was (gelukkig) gescheiden.
Ze hadden afgesproken elkaar in het Congrescentrum te ontmoeten, bij de jassen. Dan hoefden ze niet buiten in het gedrang voor de kassa te wachten.
“Pa!” had ik geroepen toen de taxi voorreed, “je gaat toch niet met een taxi helemaal naar Den Haag?” Hij had me alleen aangekeken. Dit is belangrijk, straalde hij uit. En ik keek ineens begrijpend naar zijn kortgeknipte haar en zijn nieuwe leren jasje. Ik gaf hem een vriendschappelijke stomp in zijn maag. “Ga d’r voor”, fluisterde ik, “je hebt het zo verdiend!”
Het Congresgebouw kwam in zicht. Toeterende auto’s, piepende trams, voortschuifelende voetgangers, allemaal in dezelfde richting. Een avondje uit voor de meesten. Voor mijn vader veel meer. “Hoeveel krijgt u van me?” vroeg hij afwezig aan de taxichauffeuse, een gezellige vrouw van middelbare leeftijd.
“Oh!” Hij voelde zich ineens draaierig worden. Zijn kaartje! Hij zag het thuis nog voor de spiegel liggen. Of ze om kan draaien? Naar Delft heen en weer en toch nog op tijd …? Nee, besefte hij. Nieuw kaartje kopen? Uitverkocht, wist hij, heel erg uitverkocht. Er was absoluut geen enkele mogelijkheid om zijn date te laten weten dat hij niet naar binnen kon. De doffe wanhoop moet bijna voelbaar geweest zijn, daar op de achterbank van die taxi.
De taxichauffeusse draaide zich om. “We rijden een rondje om,” zei ze lief, “naar de boulevard.” Het geluid van de motor kalmeerde mijn vader, en vreemd genoeg gleed de stress van hem af. Ze draaide zich weer naar hem om en keek hem aan. “Kom maar naast me zitten”.
En hier maken ze het verhaal altijd kort. Ze vonden dus hun geluk. In die taxi. En inmiddels zijn ze gelukkig getrouwd en al heel lang gepensioneerd. Zij schrijft stukjes. Mijn vader luistert veel naar muziek. Ze zijn een echt gelukkig paar. En dat allemaal omdat de mobiele telefoon toen nog niet echt was uitgevonden. En dankzij, maar ook ondanks … North Sea Jazz!
Heel langzaam voelde ik weer dat er een wereld was. Ik werd wakker. Hoe laat het was wist ik niet. En dat wilde ik ook niet weten. Ik bleef stil liggen. En voelde een loomheid die best weleens Geluk zou kunnen zijn. Volkomen ontspannen. Rustig. Blij. Tevreden.
(Dit is een vervolgverhaal. De vorige aflevering staat hier)
Een flinterdun lakentje bedekte mijn naakte lijf. De airconditioning ronkte. Wat een nacht! Ik kon alleen maar dommig grijnzen. Een lang weekend Mumbai. Het leek een belachelijk idee. Maar het was op een life-changing event uitgedraaid.
Goed en kwaad, zo wist ik nu, zijn overal. Groot en klein. Het zit in iedereen. Wat je ermee doet, bepaal jezelf. Je kunt het kwaad proberen te begrijpen. Maar daarmee komt het bij je binnen. Met de angst. Of je kunt het observeren en gewoon erkennen dat het er is. En dan je eigen leven leiden. Wel alert zijn, maar niet bang. En zorgen dat je zelf, in je eigen kleine wereldje, in ieder geval het goede doet.
Ik had verbondenheid gevoeld. Ervaren hoe het is om met andere mensen te zijn. Ook al ken je ze niet. Je verbonden weten door gedeelde waarden als respect, fatsoen, liefde, normaliteit, en weten dat die bij de grote meerderheid horen.
Ik had ook weer eens, en het was niet de eerste keer, gemerkt hoe gemakkelijk ik me uit het veld kon laten slaan door vervelende gebeurtenissen. Agressie van anderen. Egoïsme. En weer had ik het allemaal veel te diep naar binnen laten gaan. Bijna had ik weer eens ervaren dat je je leven helemaal zelf kapot kunt maken door een te snelle reactie. Eén keer wegstampen bij je geliefde. Eén verkeerde email. Eén verkeerd woord, één verkeerde grap. Als je pech hebt, dan kan het voorbij zijn. Onherstelbaar.
Ik had de vrouw van mijn dromen ontmoet, en ik was gewoon bij haar weggelopen, vanwege niets, vanwege wat ballonnetjes. Waarmee zij niet eens iets te maken had! Als ze me niet – opnieuw – was gevolgd, dan zou ik haar verloren zijn. Voorgoed. Ze had zomaar uit mijn leven verdwenen kunnen zijn.
Slechtheid moet je niet willen begrijpen, want als het je lukt, dan word je zelf slecht, in ieder geval ga je er een stapje dichter naar toe. Het hertje moet alert zijn en weglopen als het nodig is. Dat is alles. En dan weer dooreten.
Oh, wat een nacht. Ja, ik had dus ook nog eens de vrouw van mijn dromen ontmoet!!! En … ze wilde een kind van me! Hoe vreemd het ook klinkt. We kenden elkaar nog maar 24 uur. Het was een heel sterk gevoel, zei ze, en ze had me met haar donkere ogen zo diep aangekeken dat ik er duizelig van werd. Yeah!!! En we leefden nog lang en gelukkig …
Ik draaide me zacht knorrend om en tastte naar haar heerlijke warme zachte lichaam.
Maar ze was weg. Ik lag alleen op het queensize bed. Ik keek op mijn nachtkastje. Mijn horloge was weg. Mijn gouden kettinkje. Mijn portemonnee, paspoort, camera, laptop … alles. Zelfs de luxe zeep- en shampooflaconnetjes uit de badkamer waren verdwenen. Het lege rieten mandje lag op zijn kop. Het deurtje van de mini-bar stond open. Leeg. Nog geen Beefeater had ze me gelaten. De TV was er nog, maar de afstandsbediening was ook weg. Alles!
“Strong! Super strong. Look!” galmde het in mijn hoofd.
De ballonnetjes had ze laten liggen.
Zucht, wat een roteinde. Het vorige deel (12) staat hier. En dit is dus het slot. 😦 Op drasties liep het beter af. Maar hier moet de waarheid regeren. Hoe triest ook. The End dus.
Ik lag in mijn hotelkamer, in het Renaissance hotel in Mumbai. Alleen op het queensize bed. Suf naar CNN te staren. Larry King Live.
Ik nam nog een flesje Teachers uit de minibar. Het was de laatste. Voor de rest stonden er wat onduidelijke miniatuurtjes aan de binnenkant van het deurtje. Waarom al die andere rommel en maar twee flesjes van wat je echt nodig hebt? Wat moet je met een speelgoedflesje Bordeaux? Wat moet je met die smerige Beefeater? Wat moet je met vieze nootjes waar iedereen al in heeft zitten knijpen? Wat moet je met zo’n stom ronkend koelkastje? In tijden van depressie wil je iets anders. Je wilt een echte fles whisky. En je wilt … roken!
Ik gaf een harde trap tegen mijn rolkoffertje dat naast het nachtkastje stond. Roken? Dat was meer dan vijf jaar geleden! Dat doen we dus niet. De trolley lag op zijn kant. De modderige wieltjes draaiden nog na van het geweld. Het trieste tafereel werd weerspiegeld in de spiegel van de kast.
Als ik nu ga roken, dacht ik, dan is het afgelopen. Dan rook ik zo weer twee pakkies op een dag. Ik was zo trots. Ik voelde me zo goed. Dat gaan we niet doen. Ik draaide ‘room service’ en hoorde mezelf een pakje Marlboro light bestellen (met lucifers).
Soms doe je, als je diep in de put zit, steeds dommere dingen. Je weet dat je het doet. Je weet dat je het niet moet doen. Je weet dat je ermee op moet houden. En je weet dat je het kunt. Maar toch doe je het niet. Je kunt gewoon niet stoppen. En je zakt steeds dieper weg. In zo’n stemming was ik. Er was geen houden aan.
De telefoon ging. Ik nam niet op. De telefoon ging weer. Ik liet hem helemaal uitrinkelen. Jakkes, wat een lelijke man, die Larry King.
Er werd op de deur geklopt. Ik hees me overeind. Daar kwamen de sigaretten. Met een chagrijnige grom deed ik mijn kamerjas aan. Ik keek door het kijkgaatje en deed de deur open.
Daar stond mijn vriendin! Mijn droommeisje uit Mondegar. Mijn redding. Mijn wijs, wijs meisje. Ze zei niets. Teder kuste ze me op de lippen en duwde me op het bed.
Liefde, lieve mensen, overwint alles. Zolang mensen elkaar nog kunnen beminnen zoals wij die nacht, zolang is er nog hoop. En leven.
Met een glimlach haalde ik mijn zakje ballonnen tevoorschijn. Ik viste er een mooie gele uit. Geel met kleurige spikkeltjes. Maar wat was dat? Dat was een gewoon klein ballonnetje! Ik greep naar de andere en liet ze één voor één door mijn vingers gaan. Het waren allemaal doodgewone ballonnetjes.
Ik realiseerde me dat ik was opgelicht. De man moest het zakje stiekum onder de zak met de grote ballonnen vandaan hebben gehaald terwijl ik mijn geld zocht. Zelfs mijn vriendin, toch wel iets gewend, stond paf. Ze keek me met een frons aan. Verbaasd.

Ik voelde me ineens heel zwaar worden. Ik hoorde niets meer. Ik zag niets meer. Ik begon te zweten. Ik was niet gewoon geïrriteerd. Ik was diep en diep teleurgesteld. In de hele mensheid. Het was een van mijn bekende zwakten. En ik werd er nu weer mee geconfronteerd. Hier in Mumbai. Kleine dingen te diep naar binnen laten dringen. Niet gewoon accepteren dat ze gebeuren, maar per se willen begrijpen waarom ze gebeuren.
„Expecting the world to be fair to you because you are a good person is like expecting the buffalo not to charge because you are a vegetarian“ luidt het gezegde (shari barr).
Ik wist dat wel. Maar ik dacht zo niet. En ik voelde zo niet. Niet toen, niet daar op dat terras van de Renaissance in Mumbai. Ik wilde altijd begrijpen waarom mensen kwade dingen doen. En daarmee werden kleine dingen soms heel groot. Trillend van woede zei ik, meer tegen mezelf dan tegen mijn vriendin: “Hoe kan iemand met wie je vriendelijk staat te praten, zoiets gemeens doen! Het zijn echt niet die rottige twee of drie dollar. Het is de intentie. Het is kwaad doen tegen de ander. Het is alleen voor jezelf leven. Het is laag. Het is … terreur!”
Ik snapte ineens dat het grote kwaad dat over de stad was gekomen nog steeds weerspiegeld werd in het kleine kwaad dat overal loerde. In mensen die andere mensen willen bedriegen. Beliegen. Vertrappen. En vernederen. Dat is de wereld, dacht ik. En dat, helaas, is niet alleen Mumbai. Dat is de wereld. Overal.
Ben je arm? Ga stelen!
Raak je je baan kwijt? Spuug op iedereen die wel werk heeft!
Wordt de huur van je huis opgezegd? Gooi de ruiten in van McDonalds!
Word je gepest? Sla d’er op!
Ben je ongelukkig? Steek in op iedereen die wel gelukkig is!
Ben je niet populair bij de meisjes? Koop een automatisch geweer en schiet ze overhoop!
Wil er niemand met je vrijen? Lok een schoolmeisje mee en verkracht haar in je kelder!
Vindt iedereen je een loser? Schiet John Lennon dood!
Heb je de pest in? Pleeg een aanslag op iemand, geeft niet wie!
Heb jij de tering in? Krijg allemaal maar de tering!
Klap!
Dood!
Over!
KAN JOU HET ROTTEN!
Dat is de wereld, dacht ik. Wie durft er nog te dromen? Wie durft er nog te geloven in het goede? Het kwaad is overal. En het gaat niet meer weg. Dat is de realiteit. Wat een triest, triest leven.
Of er nog iets zijn moest, vroeg de ober en hij glimlachte uitnodigend.
Mijn vriendin keek hem zwijgend aan en schudde slechts het hoofd. De man keek kort naar de ballonnetjes die op de tafel lagen uitgespreid en trok zich terug. Ik schoof mijn stoel met een verbeten gezicht achteruit en stampte weg. Ik wilde alleen zijn. Ver weg van alle mensen.
Dit triest verhaal is er eentje in een serie. Aflevering 10 staat hier. Aflevering 11 hierboven dus. En aflevering 12 komt hier te staan. Ik kan niet garanderen dat het nog goed komt.
Het verhaal dat op drasties stond is niet langer maatgevend voor wat er echt is gebeurd. Dat, lieve lezers, wordt hier uit de doeken gedaan.
We zaten op het terras van de Renaissance, een vijfsterrenhotel ver van het centrum. Onze auto was uitgebreid van onder met spiegels bekeken. Een Labrador had zijn neus naar binnen gestoken en in mijn kruis gesnuffeld. Onze tassen waren weer eens door een metaaldetector gehaald.

Het contrast met de straat was groot. In een decor van tegen de donkere lucht afgetekende palmbomen zetten schijnwerpers de gasten in een stralend licht. Stemmen waren gedempt. Geuren waren prettig. En de ogen konden over een kabbelend meer naar de skyline van Mumbai glijden en weer terug. Een zachte wind streelde onze gezichten. de rust van de rijkdom.
Mijn vriendinnetje dronk een San Pellegrino. En ik nam een Teachers, mijn lievelings blended Scotch. Zonder ijs. Met lome slagen zwom een man nog een laat rondje in het zwembad. Een groepje meisjes liep voorbij. Sommigen waren gekleed in witte zijden blouses en strakke spijkerbroeken met zilver-gestikte motieven. Anderen waren gewikkeld in kleurige sarongs. Ze poseerden giechelend voor elkaar met hun mobieltjes.
We dronken onze drankjes, knabbelden aan onze nootjes, en praatten.
De woorden kwamen van zelf. We vulden elkaar’s zinnen aan. Soms zeiden we hetzelfde woord op hetzelfde moment … en dan riepen we ook tegelijkertijd „serendipity“! We bloosden af en toe diep. Het was een uitwisseling tussen gelijkgestemde zielen. Het was het fine-tunen van al gelijkkloppende harten.
We kenden elkaar nog geen 24 uur. Maar onze band was strong, super strong. Ik voelde me beschermd tegen alle kwaad.

“Ja, het is hier heel veilig”, zei mijn meisje lief, “vooral als je bedenkt dat al twee weken na de aanslag er ineens tientallen van die snifhonden opdoken. Ze waren ineens overal … ” Ze keek me aan en liet een betekenisvolle stilte vallen.
Ik nam nog een slok Teachers. “Dat is een hele speciale opleiding”, hield ze vol, “zoveel van die honden zijn er niet op de wereld, en zeker niet hier in een ontwikkelingsland als India … “.
Ineens verslikte ik me. Ik begreep waarom die labradorretjes er zo gezellig uit zagen. Ze waren gezellig! En net zomin gevaarlijk als die politie-agenten met hun lege geweren!
Ik keek om me heen en begreep dat mijn gevoel van veiligheid op niets was gebaseerd. De gasten van die andere hotels op de 26e november hadden zich vast ook zo gevoeld. Rijk. Niemand deed ze wat. Ik besefte dat het in één klap allemaal voorbij kon zijn. Zwartgemaskerde mannen konden zomaar het terras op komen rennen. Gegil. Schieten. Rook. Ongeloof. Voor je het weet lag je op de grond. In pijn. Bloedend. En het was over en uit. Voorgoed.
Blijven leven was een kwestie van niet op het verkeerde moment op de verkeerde plek te zijn. We zijn niet meer dan hertjes die lopen te grazen in een kudde waar de roofdieren omheen sluipen, dacht ik somber.
Ineens moest ik aan mijn ballonnen denken. Waarom wist ik niet. Maar het zou de avond behoorlijk veranderen …
Dit is een vervolgverhaal. Klik hier voor deel 9 en hier voor deel 11.
Tja, en dan de foto’s …. Jullie raadden het al. Hier had ik het te druk met verliefd zijn, en dus moet ik nu terugvallen op de officiële hotelplaatjes. Had ik mijn hoofd er maar bij moeten houden Maar het was het waard.
Op drasties staat het hele verhaal, maar anders. Blijf maar hier dus.