In Mumbai staarde ik naar Larry King (12)

Ik lag in mijn hotelkamer, in het Renaissance hotel in Mumbai. Alleen op het queensize bed. Suf naar CNN te staren. Larry King Live.

 

Ik nam nog een flesje Teachers uit de minibar. Het was de laatste. Voor de rest stonden er wat onduidelijke miniatuurtjes aan de binnenkant van het deurtje. Waarom al die andere rommel en maar twee flesjes van wat je echt nodig hebt? Wat moet je met een speelgoedflesje Bordeaux? Wat moet je met die smerige Beefeater? Wat moet je met vieze nootjes waar iedereen al in heeft zitten knijpen? Wat moet je met zo’n stom ronkend koelkastje? In tijden van depressie wil je iets anders. Je wilt een echte fles whisky. En je wilt … roken!

Ik gaf een harde trap tegen mijn rolkoffertje dat naast het nachtkastje stond. Roken? Dat was meer dan vijf jaar geleden! Dat doen we dus niet. De trolley lag op zijn kant. De modderige wieltjes draaiden nog na van het geweld. Het trieste tafereel werd weerspiegeld in de spiegel van de kast.

Als ik nu ga roken, dacht ik, dan is het afgelopen. Dan rook ik zo weer twee pakkies op een dag. Ik was zo trots. Ik voelde me zo goed. Dat gaan we niet doen. Ik draaide ‘room service’ en hoorde mezelf een pakje Marlboro light bestellen (met lucifers).
Soms doe je, als je diep in de put zit, steeds dommere dingen. Je weet dat je het doet. Je weet dat je het niet moet doen. Je weet dat je ermee op moet houden. En je weet dat je het kunt. Maar toch doe je het niet. Je kunt gewoon niet stoppen. En je zakt steeds dieper weg. In zo’n stemming was ik. Er was geen houden aan.

De telefoon ging. Ik nam niet op. De telefoon ging weer. Ik liet hem helemaal uitrinkelen. Jakkes, wat een lelijke man, die Larry King.

Er werd op de deur geklopt. Ik hees me overeind. Daar kwamen de sigaretten. Met een chagrijnige grom deed ik mijn kamerjas aan. Ik keek door het kijkgaatje en deed de deur open.

Daar stond mijn vriendin! Mijn droommeisje uit Mondegar. Mijn redding. Mijn wijs, wijs meisje. Ze zei niets. Teder kuste ze me op de lippen en duwde me op het bed.

Liefde, lieve mensen, overwint alles. Zolang mensen elkaar nog kunnen beminnen zoals wij die nacht, zolang is er nog hoop. En leven.

We zijn nu bijna klaar. Dit is het twaalfde en voorlaatste deel uit de serie. Deel elf stond hier. Deel 13 (slot) hier. En het is dus echt anders geworden dan de vroegere versie van drasties.  Let maar op. Hier wordt de waarheid verteld, hoe beschamend die misschien ook is.
Lees dit ook op mijn vkblog. Maar waarom zou je, het is hetzelfde.

In Mumbai kocht ik een ballonnetje (9)

We kuierden verder. Onze neuzen vulden zich met onbestemde geuren, zowel lekkere als onvoorstelbaar vieze. Om ons heen ging het leven zijn gang. Mensen riepen. Mensen lachten. Mensen staarden. Het was alsof er hier nooit iets was gebeurd. En al gauw voelde ik me toch geborgen. Op straat ging je op in de massa. Zeker in India.

We liepen te slenteren. Zonder doel. Zonder iets te zoeken. Zonder iets te willen. We waren aan het ‘zijn’. Hand in hand mag in India niet. Maar het was voor de goede toeschouwer niet moeilijk om te zien dat hier twee mensen liepen die voor elkaar bestemd waren.

mumbai snuisterijen

Hier en daar hielden we de pas in om naar een snuisterijtje te kijken. Olifantjes, buddhabeeldjes, posters op de grond uitgespreid. Plaatjes van Bollywoodsterren. Schelle kleuren. De prachtigste vrouwen, haarscherp opgemaakt. Maar kuis. Niet teveel naakt. Geen sex. Dat is in India iets voor binnenshuis, in de intimiteit, en uitgevoerd met aandacht en toewijding.

Een nors kijkende man zat in een soort van koek&zopie-kraam. Tot de nok toe afgeladen met frisdranken, chips en ander spul. Het deed me nog het meest denken aan een oerversie van het internetcafé. Je kon bij de man bellen met een ouderwetse draadtelefoon – er stonden er vier op de toonbank – en tijdens het bellen kon je een blikje cola drinken. Prachtig business plan. Ooit. Maar nu op het punt van omvallen.  Ook in India rukken de mobieltjes op. En ik begreep waarom de man niet reageerde op mijn joviale ‘namaskar’.

mumbai telefoonman

We werden staande gehouden. Voor ons stond een man met een rond en niet onvriendelijk gezicht. Hoe hadden we kunnen vermoeden dat we beter hadden kunnen doorlopen …

Maar we stonden stil. De man lachte een setje parelwitte tanden bloot. Hij haalde met een geheimzinnig gezicht een supergrote ballon vanachter zijn rug vandaan. Maatje skippybal. Hij hield hem voor zijn middel en sloeg erop.

Strong”, riep hij, “Super strong, look!”

Apart. Zo groot had je ze in Europa niet. Leuk voor feestjes en partijtjes. Puur voor de lol wilde ik er best wel één hebben. Ik vroeg naar de prijs. Je moest er gelijk tien kopen. Tien voor 1000 rupees. Hm, moest dat nou? Maar per stuk ging het niet.

De verkoper hield met een uitnodigend maar ook sluw gezicht het plastic zakje met de kleurige ballonnen omhoog.

“Je hoeft ze alleen nog maar op te blazen”, grapte hij, “de lucht doe ik er gratis bij!”

Hij keek scherp van mijn vriendin naar mij, en van mij naar mijn vriendin. Een Westerling met een Indiase, dat is altijd interessant.

Ik bood 200 rupees en het onderhandelingsspel begon. De handelaar was weerbarstiger dan gedacht en alle zeilen moesten worden bijgezet. Weglopen, schouderophalen, ongeloof, verontwaardiging, alles moest uit de kast. Uiteindelijk werden we het eens over 450 rupees.

Ik betaalde en de man gaf me het zakje. Ik keek hem met respect aan en zei: “Thank you, my friend. Good price for me. Good price for you. Have a good evening”.

Maar de man was nog sneller weg dan hij was opgedoemd.

Deel 8 van dit vervolgverhaal staat hier, en deel 10 hier. Alle fotootjes zelf gemaakt.

Ook op drasties gepubliceerd. Heel anders en met minder foto’s.

Warhoofd: “Leven is het meervoud van lef”

Over een bijzondere zanger en een waarlijk apart mens

Warhoofd staat aan de vooravond van een intensieve laatste week van het jaar. De sympathieke zanger zal binnen het tijdsbestek van zeven dagen op maar liefst drie begrafenissen en een Kerst-mis zingen. Laat in de avond, met een glas Bourgogne onder handbereik en twee fraaie zangeressen op de buis, vertelt hij zijn verhaal.

“Ik heb woensdag een begrafenis. Ik help de mensen graag, met het boekje, de muziekkeuze. Dit is een ongelooflijke onontgonnen markt. Ik ga niet op huisbezoek, dat doet de begrafenisondernemer. Maar ze bellen me voor de muziek en dan kan het diep gaan. Nooit te diep, want ik wil mezelf beschermen.”

We zitten samen in de chatroom van drasties waar het gezelligheid troef is en de koekoeksklok wonderlijk genoeg harmonieert met de 102 cm flatscreen TV. De gordijnen zijn dicht, geen ongewenste meekijkers hier.

Fraaie dames

Warhoofd schiet ineens overeind. “Kijk”, wijst hij, “dat zijn fraaie dames, dat zijn sublieme stemmen! Oh, het is zo mooi. Die expressie, die schoonheid, een prachtige mezze met een klaterende sopraan. Laat-Franse romantiek, Du Parc of zo, Gabriel Faure ….” Lees verder “Warhoofd: “Leven is het meervoud van lef””

In Mumbai wilde ik ervan genieten (8)

We stonden samen uit te kijken over zee. Het SMS-meisje uit Mondegar dat me gevolgd was. En ik. Het was alsof ik zweefde. Dit was zo raar! Ik heb geen minderwaardigheidscomplex, maar gevolgd worden door het meest verrukkelijke wezen van de hele wereld, zonder dat we tevoren ook maar één woord gewisseld hadden, was bijzonder.

Ze zei me dat zij ook niet wist wat er gebeurde. Ze had gewoon gevoeld dat ze met me moest praten. Een aantrekkingskracht die ze niet kon verklaren. Het was “strong, very strong“. Ze wilde niet meer bij me weg. Hoe dat verder moest en wat hiervan de bedoeling kon zijn, wist zij ook niet. Maar ze ‘was not in a hurry to find out’ en wilde ervan genieten. Ik ook.

De bootjes die toeristen naar de Elephanta Caves wilden brengen lagen te dobberen. Lekkernijen werden rondgedragen, pinda’s gebrand, en handen gelezen. Mumbai leek behoorlijk te zijn opgekrabbeld, zei ik. Het meisje knikte en keek me met haar donkere ogen ernstig aan. „Het lijkt erop“, zei ze.

mumbai taxichauffeur

Ze vertelde dat onmiddellijk na de aanslag op alle straathoeken in het centrum drie politie-agenten stonden. Eén van de drie droeg een groot geweer. Dat zag er veilig uit. Het had geholpen om de gemoederen van de geschrokken Mumbaise bevolking te kalmeren. Helaas, zo glimlachte mijn vriendin, had de politie te weinig geld voor munitie gehad. De geweren waren niet geladen! Daarom werden die arme agenten de ‘lege-gewerenpatrouille’ genoemd.
We liepen door de drukke straten van Apollo Bunder, ontweken moeiteloos auto’s, motorfietsen en paard-met-wagens, en gingen geheel in elkaar op. We babbelden met straathandelaren, met taxi-chauffeurs, en met straatkinderen. Stralende gezichten overal. Het meisje praatte afwisselend in Hindi en in Engels. Met arme en met rijke mensen. Zonder onderscheid. Ik stond er alleen maar glunderend naast te knikken. Gloeiend van geluk.

Ook heel goed dat er nu overal security met honden is, zei ze. Ze kon haar wimpers heel mooi bewegen. Overheidsgebouwen waren altijd al heel scherp beveiligd geweest, maar nu zag ik ook detectiepoortjes bij de ingang van bioscopen, winkels, restaurants en hotels. Labradors en herdershonden met droeve ogen snuffelden onder auto’s, in tassen en tussen kruizen. Op zoek naar explosieven. Zo veilig was het dus toch allemaal niet. Er kon elk moment iets verschrikkelijks gebeuren.

mondegar buiten

Deel zeven van dit vervolgverhaal staat hier. Deel acht hierboven. En deel negen hier.

Eerder in andere versie gepubliceerd op drasties.

In Mumbai kwam ik John en Yoko tegen (7)

Zelfbewust knikte ik tegen de bewakers, aaide een slaperige herdershond, en liep door een veiligheidspoortje het Taj hotel binnen. In de lobby stonden drie Arabieren met dikke koffers en ruimvallende gewaden. De receptionisten glimlachten uitnodigend vanachter de balie.

mumbai taj hond met balkje

Ik zag een gedenkplaat achter glas. De namen van alle slachtoffers. Kaarsen. Bloemen.  Over een paar jaar valt dit niet meer op, dacht ik en slenterde door de galerij met de winkeltjes waar ze normaal Prada, Gucci, en Rolex verkochten. Er werd druk getimmerd, geveegd en geverfd. In gedachten zag ik de terroristen glimlachend rondstappen. Angstige gasten voor zich uit drijvend.

Mijn oog viel op de collage van foto’s van beroemde gasten. Er zat geen krasje op. John Lennon en Yoko Ono staarden me in zwart-wit aan. Jullie ook hier, dacht ik. Hebben jullie hier ook een week in bed gelegen voor de wereldvrede?

mumbai john en yoko

Toen draaide de klok ineens 30 jaar terug.Tegen mijn tranen vechtend liep ik, in mijn tienerjaren, in Amsterdam mee in een demonstratie tegen de moord op Lennon.

“Met John Lennon is ook de vrede vermoord“, had ik tegen een camera van Brandpunt gezegd. Mijn eerste tv-interview.

Give Peace a Chance“ hadden we in de optocht gezongen.

„Dertig jaar later, John“, fluisterde ik tegen de foto, „er is nog altijd niks veranderd. Oorlog. Haat. Domheid. Als je wist wat hier is gebeurd. In de stad van Gandhi.“ En weer prikten de tranen.
They hurt you at home and they hit you at school, they hate you if you’re clever and they despise a fool.”Als vanzelf kwamen er meer teksten binnendrijven. “God is a concept by which we measure our pain. A crowd of people stood and stared. What a waste of human power, what a waste of human lives.” Maar ook: “Hold on world, it’s gonna be alrightEn natuurlijk: “Imagine …”

“This is not here”. Ik schudde mijn hoofd. Mijn oog viel op Yoko. Ik dacht aan de gewijde stemming buiten en voelde voor het eerst de betekenis van haar “We’re all water in this vast, vast ocean, someday we’ll evaporate together”. 
John and Yoko: “Just a boy and a little girl trying to change the whole wide world.” Een Liverpoolse rocker met een wijze Japanse vrouw. Een briljante liedjeszanger met een onconventionele kunstenares. Van John had ik geleerd dat liefde geen grenzen kent en door niemand hoeft te worden goedgekeurd. “East is east and west is west, the twain shall meet, east is west and west is east, let it be complete.“

Ik stapte naar buiten, in een vreemde, gelukkige stemming, en knipperde tegen het felle licht. Ineens tikte iemand me op mijn rug. Ik keek om in het gezicht van het prachtige SMS-meisje uit café Mondegar! Ze was me gevolgd??? Nou moe, dan kon ik er niets aan doen. Toch?

mumbai taj kegel

Dit is het zevende deel in een vervolgverhaal. Deel 6 staat hier. En deel 8 hier. Alle foto’s eigen werk, eh, die van John en Yoko is natuurlijk een foto van een foto.

Op drasties staat een eerdere versie, die minder de moeite waard is. Was een vingeroefening. Hier zit zo oneindig meer in.

Het Engelstalige deel over John Lennon is destijds de hele wereld overgegaan, dat staat hier. En hier ook natuurlijk, want die site is zo’n beetje aan gort. 

Apiedapie nodded with confidence at the security guard, caressed a sleepy dog and stepped through the metal detector into the Taj hotel. In the lobby he saw only a group of Arabs with fat suitcases and loose-fitting dresses waiting for something. Front desk staff were smiling their welcoming smiles behind their empty desk. Apie noticed a small memorial plate behind a glass panel. The names of the victims. Wax candles and flowers. In a year from now nobody will notice this anymore, he thought.

He strolled along the gallery on ground floor where shops used to sell Prada, Gucci and Rolex. Most of them were closed. In his mind Apie saw running terrorists, chasing behind horrified guests. He caught sight of a collage of pictures of famous Taj guests. There was not a single scratch on the glass. John Lennon and Yoko Ono looked at him in black- and-white. You’ve been here, too? Apie thought. Have you stayed in bed for peace here as well? Suddenly the clock turned backwards almost 30 years. A young Apiedapie, in his teens, fighting against his tears, taking to the street to protest against the murder of Lennon. „With John Lennon also peace has been killed“, he had said to a TV reporter. It had been his first TV interview.

They had all ceaselessly been singing  „Give Peace a Chance“.  „We’re now thirty years later, John“, whispered he to the picture, „nothing has changed ever since. War. Hatred. Stupidity. If you knew what has happened here, in the city of Gandhi.“ And again tears sprang to his eyes. “They hurt you at home and they hit you at school, they hate you if you’re clever and they despise a fool”. More lyrics came floating into his head. “God is a concept by which we measure our pain. A crowd of people stood and stared. What a waste of human power, what a waste of human lives.” But also: “Hold on world, it’s gonna be alright”. And of course: “Imagine …” “This is not here”. Apie shook his head bewildered. His eye fell on Yoko. He thought about the consecrated atmosphere outside and for the first time really felt the meaning of her “We’re all water in this vast, vast ocean, someday we’ll evaporate together.” John and Yoko. “Just a boy and a little girl trying to change the whole wide world”. A rocker from Liverpool with a wise Asian woman. A brilliant singer with an unconventional artist. Apie had learnt from John that love has no borders and does not need approval.  “East is east and west is west, the twain shall meet, east is west and west is east, let it be complete.”

Apie stepped outside, in a strange nostalgic mood. His eyes blinked against the bright daylight. All of a sudden someone patted him on the shoulder. He turned and saw Miss Bolly, the gorgeous SMS-girl from Mondegar. She had followed him. Now well .. then he could not help it. Or could he?

In Mumbai voelde ik verbondenheid (6)

Langs het water liep ik in de richting van de Gateway of India. Voor het aanleggen van de bijbehorende boulevard was destijds geen geld meer geweest. Dus nu stond de poort in zijn eentje mooi en nutteloos te wezen. In India gebeuren meer van dit soort dingen. Net als in andere landen.

Maar iets was er anders. Wat? Ik liep langs het lage muurtje dat de boulevard van de zee scheidt. De zee lag vol met bootjes. Ik wist dat daar het gevaar vandaan was gekomen. Een rubberbootje met engerds. Een visser die het ongeluk had ze tegen te komen was ook afgemaakt.

mumbai wijzen

Langzaam liep ik langs het immense Victoriaanse hotel. De wervels van mijn nek knakten van het omhoog kijken. Net als de andere nieuwsgierigen kon ik in feite niks anders doen dan naar boven staren. Daar was het allemaal gebeurd. Daar zag je nog zwarte strepen. Daar waren alle ramen eruit geweest.

mumbai snoepjes
Op het plein voor de Gateway had de wereldpers gestaan. Het was daar vroeger altijd een gezellige, ongecompliceerde drukte geweest. Handlezers. Snuisterijverkopers. Mannen met hoofddoekjes die schalen met zoetigheden op hun schouders droegen. Bedelaars. En heilige mannen die een kloddertje rode pasta op je voorhoofd drukten, als je pech had ook nog met rijstkorreltjes erin. Bescherming tegen het kwaad. Op het eerste gezicht was dit het wat ik nu ook zag. Overal mensen in alle soorten, maten en kleuren.
mumbai verbonden mensen

Ineens viel het me op dat alle gezichten, hoe verschillend ook, een zelfde gelaatsuitdrukking hadden. En hoe alle mensen in feite in dezelfde richting keken. Alsof een onzichtbare draad hen verbond met het hotel. Alsof een onzichtbaar web hen verbond met de andere mensen. Dit was verbondenheid, voelde ik. Verbondenheid tussen mensen. Nu besefte ik waarom ik hier was. Om verbondenheid te voelen.

We waren hier niet om naar een afgebrand hotel te kijken. Ik was hier niet om mijn nostalgische gevoelens te koesteren. We waren hier om onze mensheid te delen. Onzichtbaar en onbewust straalde iedereen uit: wij zijn niet zo. Wij doen die dingen niet. Wij hebben respect voor de ander. Een gewijde sfeer die, zo wist ik, ook de Newyorkers na 9/11 hadden gevoeld. Het kwaad bracht naast ongeloof en afschuw, ook menselijkheid en kracht.

Ik zag de ingang van het hotel. zonder er echt over na te denken stak ik de straat over. Ik ging naar binnen!

Dit is een aflevering uit een vervolgverhaal. Deel 5 staat hier. Deel 7 hier. Alle foto’s eigen werk.

Een eerste concept stond op drasties.

In Mumbai naderde ik een hotel van de achterkant (5)

Van café Mondegar naar de Gateway of India – een soort van Arc de Triomph maar dan aan zee – was maar een kwartiertje lopen. Zilveren trouwkoetsjes met bloemen reden af en aan alsof er niets gebeurd was.

mumbai taj met koetsjes

Ik naderde het Taj Mahal hotel van de achterkant. Die kant was destijds, zoals je op Google kunt nalezen, door de architect als voorkant bedoeld. Toen de arbeiders, ergens in het begin van de vorige eeuw, ontdekten dat ze de bouwtekening op zijn kop hadden gehouden, was het al te laat geweest. De architect zou in wanhoop uit het raam gesprongen zijn. Zelfmoord vanuit zijn eigen kunstwerk! Dit laatste ging er bij mij niet in. Maar wie weet. Wie zal het zeggen?

mumbai worker

Niet de droevige arbeider die mij nu aanstaarde, aan de voet van een hoop bouwmateriaal. De man was druk bezig met de reconstructie van het symbool van Mumbai’s trots en kracht. Zijn maten deden onduidelijke dingen op een steiger. Misschien was het zijn opa wel geweest destijds die de bouwtekening op zijn kop had gehouden. Maar ik durfde hem niet aan te spreken. Ooit moet het ophouden. en de man had nu wel wat anders aan zijn hoofd. Het had niet veel gescheeld of het hotel had helemaal geen kant meer gehad.

mumbai voorkant

Ik sloeg de hoek om naar de boulevard. En wist meteen waarom ik hier was. Daar, met die monumentale poort in de rug, hadden de tv-camera‘s staan snorren voor hun live plaatjes van het Taj hotel. En daar waren nu mensen bijeen. Bijeen in de allermooiste betekenis van het woord.

mumbai gateway of india

Dit is het vijfde deel uit dit meeslepende feuilleton. In deel 1 begon ik mijn missie in Mumbai, om te kijken of ze al waren opgekrabbeld na de terreuraanslagen, in deel 2 zat ik in de taxi te mijmeren, in deel 3 werd ik eruit gezet en moest ik verder lopen, in deel 4 liep ik aarzelend rond, dronk het een en ander, werd begroet door een meisje aller meisjes, en ik dacht na over waarom ik hier eigenlijk was. Hier in deel 5 lijk ik mijn doel te naderen. We gaan het zien in het zesde deel, dat hier komt te staan.

Alle foto’s zijn zelfgemaakt.

op drasties staat een oerversie van het verhaal, niet zo mooi als deze, dus klik maar niet. ook veel spannender om dat niet te doen.

Waar was jij toen je de email las?

Ik zal het nooit vergeten. Ik kreeg het Emailtje van de Hoofdredakteur terwijl ik net lekker door het Nederlandse landschap zoefde, met de Fyra van Rotterdam naar Schiphol. En de blik ging verbaasd van binnen naar buiten …

fyra 1

… vervolgens ongelovig starend in de verte …

fyra2

… om uiteindelijk naar beneden te gaan …

fyra 3

….. het koppie ging naar beneden. Nog steeds. 😦

Volgend jaar blijf ik thuis

Het leek dit keer allemaal zo goed te gaan.  De hele wereld had vertraging en sliep op veldbedden op station en vliegveld. Maar ik vloog keurig op tijd van New York naar Amsterdam.  Er was op Schiphol geen huurauto meer te krijgen, zo vlak voor de Kerst, maar na even geconcentreerd heen en weer bellen tufte ik toch binnen een uurtje met een splinternieuwe Volkswagen Golf richting Noord-Brabant (eerste familiestop).

Heel Nederland klaagde over gladheid en chaos. Maar net op die dag waren de autowegen schoon. Er scheen een helder zonnetje. En ik was in no time waar ik wezen wilde.  Achteraf realiseer ik me wel dat ik een paar keer onaangenaam getroffen werd door iets merkwaardigs langs de weg. Maar ik had er door de jetlag niet echt aandacht aan geschonken.

Toen ik na een paar dagen wakker was, en ook andere familie en vrienden ging bezoeken, kon ik er echter niet meer omheen. Het was overal.  Aanvankelijk was ik verbaasd. Ik dacht dat ik als expat iets had gemist en dat de betekenis me spoedig duidelijk zou worden. Maar gaandeweg begon ik bij elke volgende hardop te zuchten.

En nog weer een paar dagen later, toen bleek dat ze niet alleen in het zuiden en westen van Nederland stonden, maar ook in het noorden en oosten, ging ik echt luidkeels jammeren. Zo kwaad was ik al tijden niet meer geweest. Om iets waar ik helaas niets tegen kon doen.  En niemand van mijn vrienden en familie begreep waar ik me druk om maakte.  Gewenning misschien? Suf gepest? Gaar gebeukt?

Oordeel zelf, dit bord kwam ik op z’n minst elk kwartier tegen, bij op- en afritten. Opritten die ik daardoor van pure ellende miste. En afritten die ik met de ogen dicht voorbij reed.

100% BOB 0% op
Eigen foto, uit rijdende auto (volkswagen golf) genomen. (c) Apiedapie, 2011

Nu is het niet zo dat ik me niet kan voorstellen dat een reclamejongen die met zich zelf zit te brainstormen weleens in opperste verveling en met weinig inspiratie midden op een leeg velletje papier, bovenaan, “bob” kan zetten. En daaronder: strop, kop, op, glaasje op, galop, mop, drop, dop, de dop moet er op, hop hop hop, hij moet om die knop, houten  kop …. dat vind ik niet erg. Het is normaal. Je schrijft voor jezelf dingen op.  Mag!

Maar zorgwekkend wordt het als zo’n jongen of meisje na een dag of wat schaven,  wegstrepen, doorhalen, en opnieuw beginnen uiteindelijk durft op te houden bij “100% bob, 0% op”.

Behoorlijk triest wordt het als het dan kennelijk niemand in zijn omgeving –  vrienden, kennissen, collega’s, mentoren, bazen – opvalt. Of als het opvalt, dat kennelijk niemand in genoemde omgeving ook maar ene vinger uitsteekt om het te stoppen.

Een regelrechte schande wordt het als de opdrachtgever het rijmpje van het reclamebureau aanvaardt (dus er voor gaat betalen!), en er misschien zelfs wel met een selectiecomité tevreden een glaasje champagne op gaat drinken. Hop, weer een ton reclamebudget op.

En ronduit verbijsterend wordt het als het rijmpje echt, in real life dus, op honderden of misschien wel duizenden borden wordt afgedrukt, in kleine bestelautootjes vervoerd, en dat er dan dus kennelijk mensen zijn, echte mensen, vaders, moeders misschien, of kinderen, net het huis uit, aan het begin van een beroepscarriėre, die met hun ziel en zaligheid vierkante gaten in de grond gaan graven,  de palen erin steken, en die borden echt in het openbaar – waar vele miljoenen mensen het dagelijks kunnen zien – neerzetten.

Heeft er dan niemand in Nederland enig schaamtegevoel? Hebben die mensen nog een keer omgekeken na het gedane werk? Durven ze het thuis te vertellen? Gaan ze het volgend jaar weer doen? Ik heb in ieder geval zelden zoveel gedronken als deze feestdagen. Om dit te kunnen vergeten. En volgend jaar blijf ik thuis.

Gelukkig nieuwjaar!

Dat het nog veel erger kan bleek een paar dagen later in belgie, zie “het is klein leed ineens”

Verboden mensen op te blazen

 
mumbai leopold bord 
 
Dit bord viel me op toen ik begin vorig jaar in Mumbai café Leopold bezocht, een van de plaatsen waar op 26 november 2008 een terroristencommando dood en verderf had gezaaid. En onwillekeurig had ik die merkwaardige gedachte: “verboden om mensen in de lucht te laten vliegen”.
 
 
Mijn zoveeldelige verslag over deze reis wordt hier op het vkblog gepubliceerd, elke vrijdag een aflevering, totdat het uit is. Vandaag dus even niet, omdat iedereen toch met de kerst bezig is. Apie ook. Een eerdere versie stond ook op drasties.