In Mumbai kocht ik een ballonnetje (9)

We kuierden verder. Onze neuzen vulden zich met onbestemde geuren, zowel lekkere als onvoorstelbaar vieze. Om ons heen ging het leven zijn gang. Mensen riepen. Mensen lachten. Mensen staarden. Het was alsof er hier nooit iets was gebeurd. En al gauw voelde ik me toch geborgen. Op straat ging je op in de massa. Zeker in India.

We liepen te slenteren. Zonder doel. Zonder iets te zoeken. Zonder iets te willen. We waren aan het ‘zijn’. Hand in hand mag in India niet. Maar het was voor de goede toeschouwer niet moeilijk om te zien dat hier twee mensen liepen die voor elkaar bestemd waren.

mumbai snuisterijen

Hier en daar hielden we de pas in om naar een snuisterijtje te kijken. Olifantjes, buddhabeeldjes, posters op de grond uitgespreid. Plaatjes van Bollywoodsterren. Schelle kleuren. De prachtigste vrouwen, haarscherp opgemaakt. Maar kuis. Niet teveel naakt. Geen sex. Dat is in India iets voor binnenshuis, in de intimiteit, en uitgevoerd met aandacht en toewijding.

Een nors kijkende man zat in een soort van koek&zopie-kraam. Tot de nok toe afgeladen met frisdranken, chips en ander spul. Het deed me nog het meest denken aan een oerversie van het internetcafé. Je kon bij de man bellen met een ouderwetse draadtelefoon – er stonden er vier op de toonbank – en tijdens het bellen kon je een blikje cola drinken. Prachtig business plan. Ooit. Maar nu op het punt van omvallen.  Ook in India rukken de mobieltjes op. En ik begreep waarom de man niet reageerde op mijn joviale ‘namaskar’.

mumbai telefoonman

We werden staande gehouden. Voor ons stond een man met een rond en niet onvriendelijk gezicht. Hoe hadden we kunnen vermoeden dat we beter hadden kunnen doorlopen …

Maar we stonden stil. De man lachte een setje parelwitte tanden bloot. Hij haalde met een geheimzinnig gezicht een supergrote ballon vanachter zijn rug vandaan. Maatje skippybal. Hij hield hem voor zijn middel en sloeg erop.

Strong”, riep hij, “Super strong, look!”

Apart. Zo groot had je ze in Europa niet. Leuk voor feestjes en partijtjes. Puur voor de lol wilde ik er best wel één hebben. Ik vroeg naar de prijs. Je moest er gelijk tien kopen. Tien voor 1000 rupees. Hm, moest dat nou? Maar per stuk ging het niet.

De verkoper hield met een uitnodigend maar ook sluw gezicht het plastic zakje met de kleurige ballonnen omhoog.

“Je hoeft ze alleen nog maar op te blazen”, grapte hij, “de lucht doe ik er gratis bij!”

Hij keek scherp van mijn vriendin naar mij, en van mij naar mijn vriendin. Een Westerling met een Indiase, dat is altijd interessant.

Ik bood 200 rupees en het onderhandelingsspel begon. De handelaar was weerbarstiger dan gedacht en alle zeilen moesten worden bijgezet. Weglopen, schouderophalen, ongeloof, verontwaardiging, alles moest uit de kast. Uiteindelijk werden we het eens over 450 rupees.

Ik betaalde en de man gaf me het zakje. Ik keek hem met respect aan en zei: “Thank you, my friend. Good price for me. Good price for you. Have a good evening”.

Maar de man was nog sneller weg dan hij was opgedoemd.

Deel 8 van dit vervolgverhaal staat hier, en deel 10 hier. Alle fotootjes zelf gemaakt.

Ook op drasties gepubliceerd. Heel anders en met minder foto’s.

In Mumbai wilde ik ervan genieten (8)

We stonden samen uit te kijken over zee. Het SMS-meisje uit Mondegar dat me gevolgd was. En ik. Het was alsof ik zweefde. Dit was zo raar! Ik heb geen minderwaardigheidscomplex, maar gevolgd worden door het meest verrukkelijke wezen van de hele wereld, zonder dat we tevoren ook maar één woord gewisseld hadden, was bijzonder.

Ze zei me dat zij ook niet wist wat er gebeurde. Ze had gewoon gevoeld dat ze met me moest praten. Een aantrekkingskracht die ze niet kon verklaren. Het was “strong, very strong“. Ze wilde niet meer bij me weg. Hoe dat verder moest en wat hiervan de bedoeling kon zijn, wist zij ook niet. Maar ze ‘was not in a hurry to find out’ en wilde ervan genieten. Ik ook.

De bootjes die toeristen naar de Elephanta Caves wilden brengen lagen te dobberen. Lekkernijen werden rondgedragen, pinda’s gebrand, en handen gelezen. Mumbai leek behoorlijk te zijn opgekrabbeld, zei ik. Het meisje knikte en keek me met haar donkere ogen ernstig aan. „Het lijkt erop“, zei ze.

mumbai taxichauffeur

Ze vertelde dat onmiddellijk na de aanslag op alle straathoeken in het centrum drie politie-agenten stonden. Eén van de drie droeg een groot geweer. Dat zag er veilig uit. Het had geholpen om de gemoederen van de geschrokken Mumbaise bevolking te kalmeren. Helaas, zo glimlachte mijn vriendin, had de politie te weinig geld voor munitie gehad. De geweren waren niet geladen! Daarom werden die arme agenten de ‘lege-gewerenpatrouille’ genoemd.
We liepen door de drukke straten van Apollo Bunder, ontweken moeiteloos auto’s, motorfietsen en paard-met-wagens, en gingen geheel in elkaar op. We babbelden met straathandelaren, met taxi-chauffeurs, en met straatkinderen. Stralende gezichten overal. Het meisje praatte afwisselend in Hindi en in Engels. Met arme en met rijke mensen. Zonder onderscheid. Ik stond er alleen maar glunderend naast te knikken. Gloeiend van geluk.

Ook heel goed dat er nu overal security met honden is, zei ze. Ze kon haar wimpers heel mooi bewegen. Overheidsgebouwen waren altijd al heel scherp beveiligd geweest, maar nu zag ik ook detectiepoortjes bij de ingang van bioscopen, winkels, restaurants en hotels. Labradors en herdershonden met droeve ogen snuffelden onder auto’s, in tassen en tussen kruizen. Op zoek naar explosieven. Zo veilig was het dus toch allemaal niet. Er kon elk moment iets verschrikkelijks gebeuren.

mondegar buiten

Deel zeven van dit vervolgverhaal staat hier. Deel acht hierboven. En deel negen hier.

Eerder in andere versie gepubliceerd op drasties.

In Mumbai kwam ik John en Yoko tegen (7)

Zelfbewust knikte ik tegen de bewakers, aaide een slaperige herdershond, en liep door een veiligheidspoortje het Taj hotel binnen. In de lobby stonden drie Arabieren met dikke koffers en ruimvallende gewaden. De receptionisten glimlachten uitnodigend vanachter de balie.

mumbai taj hond met balkje

Ik zag een gedenkplaat achter glas. De namen van alle slachtoffers. Kaarsen. Bloemen.  Over een paar jaar valt dit niet meer op, dacht ik en slenterde door de galerij met de winkeltjes waar ze normaal Prada, Gucci, en Rolex verkochten. Er werd druk getimmerd, geveegd en geverfd. In gedachten zag ik de terroristen glimlachend rondstappen. Angstige gasten voor zich uit drijvend.

Mijn oog viel op de collage van foto’s van beroemde gasten. Er zat geen krasje op. John Lennon en Yoko Ono staarden me in zwart-wit aan. Jullie ook hier, dacht ik. Hebben jullie hier ook een week in bed gelegen voor de wereldvrede?

mumbai john en yoko

Toen draaide de klok ineens 30 jaar terug.Tegen mijn tranen vechtend liep ik, in mijn tienerjaren, in Amsterdam mee in een demonstratie tegen de moord op Lennon.

“Met John Lennon is ook de vrede vermoord“, had ik tegen een camera van Brandpunt gezegd. Mijn eerste tv-interview.

Give Peace a Chance“ hadden we in de optocht gezongen.

„Dertig jaar later, John“, fluisterde ik tegen de foto, „er is nog altijd niks veranderd. Oorlog. Haat. Domheid. Als je wist wat hier is gebeurd. In de stad van Gandhi.“ En weer prikten de tranen.
They hurt you at home and they hit you at school, they hate you if you’re clever and they despise a fool.”Als vanzelf kwamen er meer teksten binnendrijven. “God is a concept by which we measure our pain. A crowd of people stood and stared. What a waste of human power, what a waste of human lives.” Maar ook: “Hold on world, it’s gonna be alrightEn natuurlijk: “Imagine …”

“This is not here”. Ik schudde mijn hoofd. Mijn oog viel op Yoko. Ik dacht aan de gewijde stemming buiten en voelde voor het eerst de betekenis van haar “We’re all water in this vast, vast ocean, someday we’ll evaporate together”. 
John and Yoko: “Just a boy and a little girl trying to change the whole wide world.” Een Liverpoolse rocker met een wijze Japanse vrouw. Een briljante liedjeszanger met een onconventionele kunstenares. Van John had ik geleerd dat liefde geen grenzen kent en door niemand hoeft te worden goedgekeurd. “East is east and west is west, the twain shall meet, east is west and west is east, let it be complete.“

Ik stapte naar buiten, in een vreemde, gelukkige stemming, en knipperde tegen het felle licht. Ineens tikte iemand me op mijn rug. Ik keek om in het gezicht van het prachtige SMS-meisje uit café Mondegar! Ze was me gevolgd??? Nou moe, dan kon ik er niets aan doen. Toch?

mumbai taj kegel

Dit is het zevende deel in een vervolgverhaal. Deel 6 staat hier. En deel 8 hier. Alle foto’s eigen werk, eh, die van John en Yoko is natuurlijk een foto van een foto.

Op drasties staat een eerdere versie, die minder de moeite waard is. Was een vingeroefening. Hier zit zo oneindig meer in.

Het Engelstalige deel over John Lennon is destijds de hele wereld overgegaan, dat staat hier. En hier ook natuurlijk, want die site is zo’n beetje aan gort. 

Apiedapie nodded with confidence at the security guard, caressed a sleepy dog and stepped through the metal detector into the Taj hotel. In the lobby he saw only a group of Arabs with fat suitcases and loose-fitting dresses waiting for something. Front desk staff were smiling their welcoming smiles behind their empty desk. Apie noticed a small memorial plate behind a glass panel. The names of the victims. Wax candles and flowers. In a year from now nobody will notice this anymore, he thought.

He strolled along the gallery on ground floor where shops used to sell Prada, Gucci and Rolex. Most of them were closed. In his mind Apie saw running terrorists, chasing behind horrified guests. He caught sight of a collage of pictures of famous Taj guests. There was not a single scratch on the glass. John Lennon and Yoko Ono looked at him in black- and-white. You’ve been here, too? Apie thought. Have you stayed in bed for peace here as well? Suddenly the clock turned backwards almost 30 years. A young Apiedapie, in his teens, fighting against his tears, taking to the street to protest against the murder of Lennon. „With John Lennon also peace has been killed“, he had said to a TV reporter. It had been his first TV interview.

They had all ceaselessly been singing  „Give Peace a Chance“.  „We’re now thirty years later, John“, whispered he to the picture, „nothing has changed ever since. War. Hatred. Stupidity. If you knew what has happened here, in the city of Gandhi.“ And again tears sprang to his eyes. “They hurt you at home and they hit you at school, they hate you if you’re clever and they despise a fool”. More lyrics came floating into his head. “God is a concept by which we measure our pain. A crowd of people stood and stared. What a waste of human power, what a waste of human lives.” But also: “Hold on world, it’s gonna be alright”. And of course: “Imagine …” “This is not here”. Apie shook his head bewildered. His eye fell on Yoko. He thought about the consecrated atmosphere outside and for the first time really felt the meaning of her “We’re all water in this vast, vast ocean, someday we’ll evaporate together.” John and Yoko. “Just a boy and a little girl trying to change the whole wide world”. A rocker from Liverpool with a wise Asian woman. A brilliant singer with an unconventional artist. Apie had learnt from John that love has no borders and does not need approval.  “East is east and west is west, the twain shall meet, east is west and west is east, let it be complete.”

Apie stepped outside, in a strange nostalgic mood. His eyes blinked against the bright daylight. All of a sudden someone patted him on the shoulder. He turned and saw Miss Bolly, the gorgeous SMS-girl from Mondegar. She had followed him. Now well .. then he could not help it. Or could he?

In Mumbai voelde ik verbondenheid (6)

Langs het water liep ik in de richting van de Gateway of India. Voor het aanleggen van de bijbehorende boulevard was destijds geen geld meer geweest. Dus nu stond de poort in zijn eentje mooi en nutteloos te wezen. In India gebeuren meer van dit soort dingen. Net als in andere landen.

Maar iets was er anders. Wat? Ik liep langs het lage muurtje dat de boulevard van de zee scheidt. De zee lag vol met bootjes. Ik wist dat daar het gevaar vandaan was gekomen. Een rubberbootje met engerds. Een visser die het ongeluk had ze tegen te komen was ook afgemaakt.

mumbai wijzen

Langzaam liep ik langs het immense Victoriaanse hotel. De wervels van mijn nek knakten van het omhoog kijken. Net als de andere nieuwsgierigen kon ik in feite niks anders doen dan naar boven staren. Daar was het allemaal gebeurd. Daar zag je nog zwarte strepen. Daar waren alle ramen eruit geweest.

mumbai snoepjes
Op het plein voor de Gateway had de wereldpers gestaan. Het was daar vroeger altijd een gezellige, ongecompliceerde drukte geweest. Handlezers. Snuisterijverkopers. Mannen met hoofddoekjes die schalen met zoetigheden op hun schouders droegen. Bedelaars. En heilige mannen die een kloddertje rode pasta op je voorhoofd drukten, als je pech had ook nog met rijstkorreltjes erin. Bescherming tegen het kwaad. Op het eerste gezicht was dit het wat ik nu ook zag. Overal mensen in alle soorten, maten en kleuren.
mumbai verbonden mensen

Ineens viel het me op dat alle gezichten, hoe verschillend ook, een zelfde gelaatsuitdrukking hadden. En hoe alle mensen in feite in dezelfde richting keken. Alsof een onzichtbare draad hen verbond met het hotel. Alsof een onzichtbaar web hen verbond met de andere mensen. Dit was verbondenheid, voelde ik. Verbondenheid tussen mensen. Nu besefte ik waarom ik hier was. Om verbondenheid te voelen.

We waren hier niet om naar een afgebrand hotel te kijken. Ik was hier niet om mijn nostalgische gevoelens te koesteren. We waren hier om onze mensheid te delen. Onzichtbaar en onbewust straalde iedereen uit: wij zijn niet zo. Wij doen die dingen niet. Wij hebben respect voor de ander. Een gewijde sfeer die, zo wist ik, ook de Newyorkers na 9/11 hadden gevoeld. Het kwaad bracht naast ongeloof en afschuw, ook menselijkheid en kracht.

Ik zag de ingang van het hotel. zonder er echt over na te denken stak ik de straat over. Ik ging naar binnen!

Dit is een aflevering uit een vervolgverhaal. Deel 5 staat hier. Deel 7 hier. Alle foto’s eigen werk.

Een eerste concept stond op drasties.

In Mumbai naderde ik een hotel van de achterkant (5)

Van café Mondegar naar de Gateway of India – een soort van Arc de Triomph maar dan aan zee – was maar een kwartiertje lopen. Zilveren trouwkoetsjes met bloemen reden af en aan alsof er niets gebeurd was.

mumbai taj met koetsjes

Ik naderde het Taj Mahal hotel van de achterkant. Die kant was destijds, zoals je op Google kunt nalezen, door de architect als voorkant bedoeld. Toen de arbeiders, ergens in het begin van de vorige eeuw, ontdekten dat ze de bouwtekening op zijn kop hadden gehouden, was het al te laat geweest. De architect zou in wanhoop uit het raam gesprongen zijn. Zelfmoord vanuit zijn eigen kunstwerk! Dit laatste ging er bij mij niet in. Maar wie weet. Wie zal het zeggen?

mumbai worker

Niet de droevige arbeider die mij nu aanstaarde, aan de voet van een hoop bouwmateriaal. De man was druk bezig met de reconstructie van het symbool van Mumbai’s trots en kracht. Zijn maten deden onduidelijke dingen op een steiger. Misschien was het zijn opa wel geweest destijds die de bouwtekening op zijn kop had gehouden. Maar ik durfde hem niet aan te spreken. Ooit moet het ophouden. en de man had nu wel wat anders aan zijn hoofd. Het had niet veel gescheeld of het hotel had helemaal geen kant meer gehad.

mumbai voorkant

Ik sloeg de hoek om naar de boulevard. En wist meteen waarom ik hier was. Daar, met die monumentale poort in de rug, hadden de tv-camera‘s staan snorren voor hun live plaatjes van het Taj hotel. En daar waren nu mensen bijeen. Bijeen in de allermooiste betekenis van het woord.

mumbai gateway of india

Dit is het vijfde deel uit dit meeslepende feuilleton. In deel 1 begon ik mijn missie in Mumbai, om te kijken of ze al waren opgekrabbeld na de terreuraanslagen, in deel 2 zat ik in de taxi te mijmeren, in deel 3 werd ik eruit gezet en moest ik verder lopen, in deel 4 liep ik aarzelend rond, dronk het een en ander, werd begroet door een meisje aller meisjes, en ik dacht na over waarom ik hier eigenlijk was. Hier in deel 5 lijk ik mijn doel te naderen. We gaan het zien in het zesde deel, dat hier komt te staan.

Alle foto’s zijn zelfgemaakt.

op drasties staat een oerversie van het verhaal, niet zo mooi als deze, dus klik maar niet. ook veel spannender om dat niet te doen.

In Mumbai voelde ik aan een kogelgaatje (4)

In de deuropening van café Leopold bleef ik aarzelend staan. Binnen in de schemering werd het bier rondgedragen en zaten de toeristen te babbelen. Ik raakte de marmeren steenplaat aan. En de vijf onbetekenende witte putjes steengruis. Kogelgaten. Maar dat moest je weten. Kogelgaten zijn in feite onbetekende putjes. Ook als ze in een mensenlijf zitten. 
 
Een politieman stond op wacht, stoer en imponerend. Ik dacht aan een verdronken kalf en een put en ging naar binnen. Bij het passeren zag ik dat de agent angstig keek.
 
mumbai leopold kogelgaten
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 

 

Met onzekere stap liep ik door de bar. Wat moest ik hier? Ik was nooit in Leopold geweest. Moest ik hier nu ineens wel gaan zitten en iets drinken? En me dan griezelend voorstellen hoe het nog geen twee maanden geleden was gegaan? Toen ineens een groepje terroristen uit een busje kwam stormen en begon te knallen? Het gegil? Het ongeloof? De omgevallen stoelen en het versplinterde glas? Waar was ik naar op zoek? Was het de sensatie die me dreef?

Een toerist in een wit polo-shirt keek me aan. Zestiger, het gezicht verdroogd door de zon en de alcohol. Raar petje op. Australiër. Of hij niet wist wat hier gebeurd was, kon ik niet nalaten te vragen. En hoe hij hier nu rustig zijn biertje kon drinken? So what, schouderophaalde de man, rijd jij nooit meer door de straat waar een ongeluk is gebeurd? Kun je je lol op! En hier komen ze niet meer terug. Dit is nu de veiligste plek van Bombay!

mumbai cafe van binnen

 
Ik ging toch liever naar café Mondegar om de hoek, mijn geliefde stekkie van vroeger. Ik nam een lassi salt en begon over mezelf na te denken. Wat was ik hier eigenlijk aan het doen? Wilde ik me hullen in een deken van vroegere dromen? En wat had dat met die terroristen te maken? Waarom moest ik dit met eigen ogen gaan zien?
 
Een wel heel erg mooi meisje aan een belendend tafeltje keek op van haar sms’jes en knikte me toe. Ik keek verbaasd achter me, maar knikte toen glimlachend terug. OMG! Je kunt wel zien dat we in de stad van de Bollywood studio’s zijn, dacht ik. Wat een onvoorstelbaar mooie meid! Even leek het alsof de wereld stil stond.

mumbai mondegar meisje met balkje

 
Maar ik had mezelf weer snel in de hand.  Ik had een missie. Ik had iets te doen. Al wist ik dan nog niet wat. 
 
Mijn lassi was zo verschrikkelijk zout dat ik een vies gezicht trok. Het meisje keek me verbaasd, bijna bezeerd aan, leek het wel. Maar ik had geen tijd voor nog meer gesprekken. Ik stond resoluut op …
 
  
Dit is een vervolgverhaal in een stuk of wat delen. In deel 1 kwam ik aan, in deel 2 zat ik in de taxi, in deel 3 werd ik de taxi uitgezet en nu zit ik lekker in het cafe. Deel 5 staat  hier.
  
Alle foto’s van eigen hand. Het meisje op de foto hierboven is nietsvermoedend, ze hoort er niet bij, zij was het Niet! Later zal duidelijk worden waarom ik dit zo beklemtoon.

Een ruwe eerdere versie van dit verhaal stond eerder op drasties, aanklikken niet aangeraden, want dan is het niet spannend meer, en bovendien loopt het hier anders af, hier wordt de ware toedracht onthuld.

In Mumbai werd ik uit de taxi gezet. Onterecht! (3)

De taxi reed Marine Drive op, de boulevard die Mumbai in de vorm van een halve maan van de zee scheidt. Ach, dacht ik, hoeveel mooie momenten heb ik hier al niet meegemaakt? 
 
Een paar blokken verderop wist ik het voormalige huisje van Mahatma Gandhi, nu een ingetogen museum met zwartwit foto’s en spreuken.
 
The world has enough for our needs but not enough for our greed.“ Nog altijd actueel helaas. 
 
mumbai marine drive rechtgetrokken 
 
De prachtige koepel bovenop het Intercontinental gleed voorbij. Ik dacht aan dure whisky. dan de zinderende live-muziektent „Not just jazz by the bay“.  Ik dacht aan goedkoop bier. En ook aan ontmoetingen met lieve mensen. Warme gevoelens van geweldloosheid, schoonheid en tederheid deden me stralen als een zonnetje.

Nieuwsgierig keek ik naar de passanten. Stond het leed hen nog op het gezicht geschreven? Zouden ze schrikken als ik ineens „boem!“ zou roepen?
 
„Smakeloos, sir!“ draaide de chauffeur zich ineens om.
 
Nee hè! Ik had weer eens hardop gedacht. Ik rekende af en stond binnen een halve minuut buiten. Een tikkie zwetend van de schaamte. Want ik had het helemaal niet zo erg bedoeld. Dat had de chauffeur kunnen weten als hij mij wat langer had gekend.  
mumbai palmen
Toevallig stond ik wel precies voor het Oberoi hotel, een van de plaatsen waar de terroristen hadden toegeslagen. Er was niks te zien. Geen geblakerde muren, geen gesprongen ramen, geen uit het lood hangende deuren. Het leven ging hier gewoon door. Wat een teleurstelling moest dit zijn voor ramptoeristen, dacht ik, maar ja, het is ook al weer bijna twee maanden geleden. 
 
Te voet kwam ik sneller vooruit en al gauw liep ik het centrum in.  Ik raakte zoals altijd verrukt van de betoverende afwisseling van wolkenkrabbers, spiegelpaleizen, en Victoriaanse villa’s.
 
 
mumbai oma
 
En om de hoek geurden de specerijenstraatjes waar de safraan goed en goedkoop is, en waar de omaatjes met waardigheid op straat zitten. Maar ook de toeterende auto’s hoorden erbij, de krakende handkarren en de smerige moordende bussen.
 
Ik liep verder en zag ineens in de pui van een café … kogelgaten! Echte. met een politieman ervoor. Nu ging het dus toch beginnen … 
 
mumbai leopold exterieur
 

Dit is deel 3 van een langere serie. Deel 2 staat hier. En hier staat deel 4. Alle foto’s zijn eigengemaakt.
 
Veel heeft eerder ook op drasties gestaan, voor het behoud van spanning wordt klikken op die laatste link afgeraden.

In Mumbai stond ik in de file. En hoe! (2)

In de taxi die me van het vliegveld naar de stad hobbelde, begon de chauffeur onmiddellijk zijn verhaal. Om de paar minuten keek hij me daarbij via zijn spiegeltje aan. Elke Mumbaier, zo zou ik al snel ontdekken, begon ongevraagd over 26/11 te praten. Het drama zat nog altijd in de hoofden.
 
De geruchten waren het ergst, die eerste dagen, zo vertelde hij. Een busje met zwaar bewapende commando’s reed rond en zaaide dood en verderf. Je was nergens veilig. Alleen in je eigen huis. Daar keek je tot diep in de nacht naar de TV. En de volgende morgen werd je wakker met dezelfde beelden. Het hield niet op!
 
mumbai waterauto
 

“Maar taxi driver”, vroeg ik om de man af te leiden. “Hoe heet het hier nu eigenlijk? Mumbay of Bombai?  En waarom? En sinds wanneer?”
 
De chauffeur vertelde over een nationalistische partij die het een jaar of tien geleden voor het zeggen had gehad. Een rechtsig cluppie. Trots op India. En ze waren voor de vrijheid. Die partij vond dat India voor de Indiërs was en dat het engelsklinkende Bombay moest worden omgedoopt tot Mumbai. Een verandering die nog altijd niet helemaal is geaccepteerd. Mijn gesprekspartners, rasechte Indiërs, trots op hun land, waren stuk voor stuk voor Bombay, omdat dit ‘meer cosmopolitisch klinkt’. 

Maar nu wilde ik toch graag tot de kern van mijn missie doordringen. En dat was niet kletsen met chauffeurs en andere zogenaamde informanten. Dat was niet luisteren naar onzinverhaaltjes dat alle rampen in Mumbai altijd op de 26e van de maand gebeurden. Overstromingen, bomaanslagen op treinen, ja, zelfs aardbevingen en de tsunami hadden zich aan dit ongeluksgetal gehouden.
 
Ik wilde nu alsjeblieft! meharbani seh!! please!!! eindelijk!!!! met eigen ogen de plaatsen des onheils bezoeken. En snel. Waar waren de hotels? Waar was de Taj?
 
 
mumbai rode bus
 
We stonden al meer dan vier uur in de file. Een grote rode bus versperde het uitzicht. Yeah, this is Mumbai zoals ik het ken, dacht ik gelaten. 
 
Maar, hup, daar gingen we eindelijk. Luid toeterend en allerlei mensen, mensjes, dieren en diertjes op haartjes na missend ging het weer verder. Het verkeer in Mumbai is het bewijs dat God bestaat, gromde de chauffeur. Al die mensen die we net niet dood rijden.  Dat krijgt alleen God voor elkaar.
 
We naderden de wijk met de hotels. Wat zou ik te zien krijgen? Was het maar vast volgende week …

Dit is een vervolgverhaal. Deel 1 vertelt hoe ik ben aangekomen in Mumbai, nog geen twee maanden na de aanslagen van november 2008, om te kijken hoe de stad erbij ligt. Deel 2 gaat over de taxi-rit en staat hierboven. Deel 3 staat hier. En daarna komen er nog meer delen, net zolang tot de spanning niet meer zindert en we weten of er een happy of droevig einde in zit.

Alle delen zijn ook – in een andere niet zo geweldige versie – op drasties gepubliceerd. Wie de spanning erin wil houden, klikt dus niet op dat linkje. Daarom schrijf ik dit ook zo klein.

In Mumbai kwam ik mijzelf tegen (1)

‘Twenty six eleven’ noemen ze het. De stad schudde op zijn grondvesten zoals New York tijdens ‘nine one one’. Een groep terroristen kwam met een rubberbootje aan land en zaaide dood en verderf in deze Indiase havenstad aan de Arabische Zee. Het Taj Mahal hotel, de trots van Mumbai, was dagenlang omcirkeld door verslaggevers, die een terroristische aanslag moesten verslaan waar geen einde aan leek te komen.   

Vandaag precies twee jaar geleden begon het ongelooflijke drama. Het leek een film. Maar het was Terrorisme Nieuwe Stijl. Bloedig en zonder mededogen.   Ik ken de stad heel goed, maar was er jaren niet meer geweest. De tragedie had ik per televisie, SMS en chatroom gevolgd. Begin vorig jaar, nog geen twee maanden na de aanvallen, nam ik het vliegtuig. Een lang weekend Mumbai … tja … Maar ik wilde gewoon terug. De stad met eigen ogen zien. Een weekend dat mijn leven zou veranderen. Mijn persoonlijke verslag staat de komende weken hier op het vkblog.   

Vandaag deel één. Namaskar Mumbai! Begint onder de foto.
 
mumbai taj
 
De stad voelde als al die andere keren. warm, een graadje of 35. En aangenaam vochtig. Januari is een goede tijd voor Mumbai. Met knipperende ogen stond ik in de rij voor de douane. Een mini-jetlag van een uurtje of vier in aantocht. Hoe zou het er buiten uitzien? Zou het nog bruisen? Spatte de energie er nog vanaf? Of was Mumbai één groot tranendal geworden?
 
“Shukriya!” riep ik vriendelijk tegen de norse beambte en stapte het avontuur tegemoet. Honderden nieuwsgierige ogen staarden me aan. Tientallen naambordjes en –kartonnetjes. Ontelbare vage types. Je zou bijna omkeren. Maar ik had meer met dit bijltje gehakt en liep zelfverzekerd door. Alsof ik wist waar ik heen ging. Dat is de kunst. Ik hoefde het dit keer niet eens te faken. Want ik was echt al heel vaak de uitgang van chhatrapati shivaji international airport uitgelopen. 
 
Mijn rolkoffertje werd door een tenger mannetje voor me uitgedragen nog voor ik ‘what the f***’ had kunnen zeggen. En ik werd in een klein groengeel autootje gepropt. Ik ging zitten, leunde achterover en het ging allemaal beginnen!  
 
 
Wordt vervolgd. Hier staat deel 2. 
 
Foto’s allemaal zelf gemaakt. Goed he? Ik kan het wel! Er zitten er een paar heel mooie bij. 
 
Dit feuilleton stond ooit in een andere versie op drasties, Ten behoeve van de vereiste spanning wordt u aangeraden de link niet aan te klikken. 
 

Jasje

Ik staar naar de lege lopende band en besef dat ik weer eens eerder dan mijn koffer ben aangekomen. Dit keer in Montreal, dinsdagavond laat.
 
Morgenochtend om half negen moet ik een vergadering voorzitten, gekleed in de muf ruikende spijkerbroek en sweater waarin ik heb liggen slapen.
 
De winkels zijn dicht.
 
Ik leg mijn probleem uit aan de nachtportier van het hotel. Hij kan me gelukkig een overhemd lenen en een ribfluwelen jasje.

De volgende morgen zit ik de vergadering ongemakkelijk voor. In de pauze komt een van de deelnemers naar me toe.

‘Leuk jasje!’, zegt hij veelbetekend.
 
Ik stamel een excuus, leg de situatie uit en zeg dat ik me normaal natuurlijk wel beter kleed.
 
Er valt even een stilte. Dan zie ik dat hij net zo’n jasje aan heeft. 
 
 
 
 
 
(eerder in iets andere vorm en met ander lettertype gepubliceerd op drasties)