Ja, dan loop je gezellig te wandelen, zonnetje, bomen, wind in je haar, vrolijke kinderen aan het spelen, muggen die zoemen, vrouwen die lonken, flesje water op de heup, knietjes al bruin, net nog niet rood, en je bent er bijna.
En dan kom je zo’n bord tegen en kun je het niet helpen om even sjaggo te worden. *ril icoontje*
“Doodlopende weg!” was het eerste dat in mij opkwam. Hoe besmet zo’n simpele voornaam kan zijn door de misdragingen van een enkeling. Je zal maar Joran heten. “Landwerker” betekent het volgens de ene babysite, schoenlapper volgens de andere, de vader van Superman weet een bijdehante, huh? Juist. De mensen in deze straat, ergens in Zwitserland, zaten lekker te barbequen, maaiden het gras, loerden over de schuttingen naar hun buren en deden een plas (binnen). En zo hoort het ook. Moving on ….
Het plaatje ging de doos in voor het vergezochte-straatnamenhoekje en mag er dus nu in komkommertijd eventjes uit. Verzin er rustig een mooie, grappige of liever gevoelige, wijze kop bij, want dit is weer een aflevering uit de serie Hier Kan Uw Kop Staan (HKUKS). De voltallige jury ziet uw inzendingen met innige belangstelling tegemoet.
Een Turkse archeoloog is naar de paus gestapt in een poging om de botten van Sinterklaas terug naar Turkije te krijgen. Stoffelijke resten van de goedheiligman, die voormalig bisschop van Myra (Turkije) is, liggen in de kathedraal van Freiburg (Zwitserland). Zeshonderdduizend pelgrims komen jaarlijks naar Demre (het huidige Myra) en treffen daar een leeg graf aan. Dat kan zo niet langer, vindt archeoloog professor Nevzat Cevik (Akdeniz Universiteit Antalya). “Hij is in Turkije geboren”, zegt hij in een Zwitsers dagblad, “en daar moet hij dus ook zijn laatste rustplaats krijgen.”
Sint en Piet – hier nog in gelukkigere tijden
De Freiburgers piekeren er niet over om op het Turkse verzoek in te gaan. Het is een godsdienstoorlog, zeggen ze. “We zullen ons Sinterklaasrelikwie nooit weggeven”, zegt een woordvoerder van de kathedraal, “het is een symbool en voor altijd met de geschiedenis van onze stad verbonden.” Bovendien hoort het relikwie in christelijke handen te zijn en niet in een land dat door moslims wordt gedomineerd, vinden ze.
Sinterklaas was in de vierde eeuw na Christus bisschop van Myra. In 1087 werden zijn botten overgebracht naar de Italiaanse havenstad Bari. Met de zegen van Paus Julius II werden ergens in de late Middeleeuwen twee beenderen via Rome naar Freiburg gebracht. Op 6 december is het daar dan ook jaarlijks groot feest. Maar misschien is dat dus binnenkort verleden tijd.
Voor zaken ben ik een dagje op bezoek in Bern. De avond voor de meeting check ik in, loop het hotel uit en beland pardoes middenin een klank-en lichtspel op de Bundesplatz. Mooier dan ik dacht. Moderne computeranimaties laten gekke figuurtjes op de gevel van een stadhuis op en neer lopen en gek doen. De vensters van het gebouw klapperen mee. Smaakvolle kitsch. Na het slotapplaus zoek en vind ik een leuk restaurant. Huitres creuses en filets de perche op de menukaart buiten, witte tafellakentjes en nette mensen en zelfs mooie meiden binnen, honger!
Ik krijg een tafeltje aan het raam. En dan begint de lol. Na een minuut of tien is de ober nog altijd niet teruggekeerd om de bestelling op te nemen. Ik kijk vragend naar een voorbijlopende andere kelner. Het is een jonge man, scherp gezicht, strak blauw schortje, fris gesteven wit overhemd, uitdrukkingsloos gezicht, het zou een Fransman kunnen zijn. Hij loopt door. Als hij nog een keer langsloopt, knik ik hem met nadruk toe. Hij knikt vriendelijk terug en loopt verder. Denkt de lullo dat ik met hem aan het flirten ben? Vijf minuten later komt hij weer langs. Nu stop ik hem met een priemende bijna dodende blik.
“Je pourrais commander?” vraag ik hatelijk. Huh? is het antwoord. “Commander! Com! Man! Der!” herhaal ik. En ik wijs op de menukaart. Hij kijkt me verbaasd aan. “Bestellen!”, probeer ik dan, “ich möchte bestellen. Be! Stel! Luh!”. Opnieuw wijs ik op de menukaart. “Order! I’d like to order, please. Oor! Derrrr!”.
“Ich nicht spreche Deutsch” brengt hij wanhopig uit. “Francais?” help ik hem. Maar hij blijft me vertwijfeld aankijken.
Dan komt de hoofdkelner voorbij. Hij stuurt de jongen weg en informeert wat er aan de hand is. “Ich möchte gerne bestellen. Die jongen snapte het niet. Hij spreekt geen Duits, geen Frans … nou ja, het komt wel goed”, zeg ik verzoenend en haal adem om eindelijk mijn oestertjes te bestellen.
“Nee”, zegt de ober beslist en hij buigt zich naar me toe. “Dat komt het niet. Het komt niet goed. Hij begrijpt geen Duits, geen Frans, hij is hier al een week. Het wordt niet beter. Vanavond is zijn laatste avond. Dat gaan we hem zo vertellen.”
Tja, da’s nou ook weer zielig, denk ik, en weet ook dat ik dit helemaal niet had willen weten. Ik bestel mijn oesters. Op de vraag “hoeveel?” antwoord ik automatisch met een “une demi-douzaine”. De hoofdkelner kijkt me vragend aan.
“Sechs?” vraagt hij.
“Nee”, antwoord ik, “vanavond niet, maar ik vind ze gewoon lekker”.
Hij vat het niet, dus ik vraag hem op een vriendelijke toeristentoon wat voor talen men hier in Bern zoal spreekt. “Schweizer Deutsch”, zegt hij, “en Frans”. Dat wordt voor mij dan moeilijk, lach ik, dat Zwitserse Duits. “Ja”, lacht hij even vrolijk terug, “en ik spreek geen Frans, maar ik heb les”.
Bravo, knik ik hem toe, Franse les, goed hoor. “Ja, hier in Bern zijn ze tweetalig”, zegt hij, “Frans en Duits. Maar hier in het restaurant spreken we eigenlijk alle talen”. Tevreden loopt hij weg.
Een minuut of wat later komt de jongen weer langs. Hij zet een bordje met brood en boter op mijn tafel en maakt zich snel uit de voeten. Ik bekijk hem met andere ogen. Want ik weet iets dat hij niet weet. Een drama is aanstaande. Of zouden ze het hem al verteld hebben? Ik kijk hem scherp aan, iedere keer als hij voorbij loopt. Maar zijn gezicht staat nog altijd op uitdrukkingsloos. Ik denk niet dat hij het al weet. Toch bestudeer ik mijn brood nauwkeurig. Je weet het niet, als dit zijn laatste avond is, en hij heeft het net gehoord, en hij denkt dat ik het laatste zetje heb gegeven, dan heeft hij er misschien wel op gespuwd. Niet aannemelijk, maar toch eet het minder prettig.
De oesters komen, ze zijn goed, de oesterschalen gaan. De filets de perche komen, ze zijn wat te dik gefrituurd, maar het is wel best zo. Ik eet ze op, prik de gekookte aardappeltjes aan mijn vork, en hap, bordje leeg. Ik ben er klaar mee. Dessert hoeft niet, ik wil de rekening, ik wil weg.
De jongen loopt langs, kijkt nauwkeurig naar mijn lege bord en loopt verder. Na een paar minuten schuif ik mijn lege bord demonstratief van me af. De jongen komt weer langs, en kijkt opnieuw onderzoekend naar mijn tafel. Zonder me aan te kijken loopt hij verder. Als hij een derde maal langs komt, dan zit ik nog demonstratiever heel ver achterover. Ik zit uit te buiken mensen! Ik heb genoeg! Ik kan niet meer! Ik wil de rekening! Zelfs die boodschap komt niet aan. Het kereltje loopt zonder de pas in te houden zijn rondje restaurant, met gebogen hoofd, hij stopt bij geen enkele tafel, en keert dan terug naar de keuken.
De hoofdkelner komt om de hoek zetten. Hij kijkt me samenzweerderig aan. “Ja”, antwoord ik op zijn onuitgesproken vraag, “al drie keer, maar hij vroeg niks, hij liep door”.
“Tsk”, zucht de ober minachtend. Ik reken bij hem af, laat de kleinste fooi ever achter en loop de zaak uit. Buiten door het raam zie ik dat de jongen toeschiet en de schamele muntjes van mijn tafel bijeen graait. Heeft hij toch nog iets, denk ik. De ziel. Ik gun het hem. Jawel!
Terug in het hotel drink ik een whiskey in de hotelbar. Ik lees een advertentie van een restaurant verderop. Ze bieden een “Siestamenu” aan. Als je boven de CHF 20 verteert dan krijg je er een hotelkamer voor een paar uur bij (12h00-15h00). “Mittagessen und Mittagschlaf” … Aparte jongens die Zwitsers.
De Donau .. ach … romantiek! Zo mooi! Zo blauw! Laat ik nou nooit geweten hebben dat het ding ergens in Zuid-Duitsland ontsprong. Ontelbare malen heb ik er op gevaren, de mooiste keer in Budapest, met een leuk persoon en heel veel goede wijn, maar waar het begin nou was? Nooit afgevraagd. Totdat ik op reis van Nederland naar Zwitserland ineens een bordje met “Donau Quelle” op de rijksweg zag. Hopla, stuur om, even kijken dus.
En dit zag ik:
Jekkie bah! Een bruin oniegelijk stroompje. Nooit zal ik het verheerlijkt gezicht van mijn vader vergeten als hij de elpee van Am schoenen blauen Donau weer eens opzette. Als kleine jongen had ik altijd gevoeld, nee geweten, dat de Donau een sprookjesrivier was. En hier stond ik nu. Dit was de bron. Dit was het begin. Dit was de Donau. Had die Strauss soms een ernstig vuiltje in zijn oog? Mijn vader neem ik het niet kwalijk, je kunt niet overal zijn, maar op zo’n beroemde componist moet je toch kunnen vertrouwen? Nou ja, misschien had hij van componeren meer verstand:
Ja, dat u niet denkt dat het een toeval was, nog maar een fotootje. De Donau ontspringt dus uit een armetierig rotsje, druppelt door een groezelig beekje, en stort zich dan naar beneden, waar wij het niet kunnen zien, en waar hekjes staan, en pas heel veel verder wordt het wat.
Het heet hier Donaueschingen en Martinskapelle en zo meer, en vanaf hier loopt de Donau naar het oosten. Ook al nooit geweten. Ik dacht dat alles zo’n beetje naar het westen liep. Waarom heb ik toch niet beter opgelet vroeger? En precies op dit punt hier, waar we nu staan, heb je de scheiding tussen het rijk van de Noordzee (al het water dat naar beneden druipt gaat via de Rijn naar ons toe) en van de Zwarte Zee (elk druppeltje stroomt via de Donau naar de Zwarte Zee). Deze steen herinnert hieraan. Als ik precies op deze plaats zou gaan staan pissen, iets wat ik niet doe, want er is geen boom, en er kunnen mensen aankomen, en ik hoef niet, dan zou ik met één slinger zowel Oost als West kunnen bereiken. Toch een goed gevoel.
Verder zijn hier, zeker nu het wat mistig is, de mooiste plaatjes te schieten. Mooie wegwijsbordjes, een ooievaar voor een boerderij waar ene Sebastiaan op 28 augustus geboren is, een waslijn met kinderspulletjes, het leven is hier nog goed. Kijk maar:
Geen Al Qaida’s, geen Boer Zoekt Vrouw of verkiezingsdebat, het is hier rustig. Je eet hier forel, een stukkie hert met Preiselbeeren en het leven is goed. Dat die Donau zo sneu begint, is dan al gauw vrij onbelangrijk. Ja, die laatste is een zelfportret.
Deze foto maakte ik gisteren om een uurtje of vijf, zes in de middag:
en deze een kwartiertje, half uurtje later:
en deze heel snel meteen erna:
Mooi he? Maar daar gaat het nu niet om. Wat deze foto’s bijzonder maakt is het tijdstip en de plaats. Het was in Zurich. Op de boot van het Casino naar het Centraal Station. En het is bijzonder omdat op die plaats en rond dat tijdstip daar ook was … Jan de Wit (JdW), de Founder, CEO en Chairman van de veelbezochte en veelbesproken Nederlandse website voor Nederlanders en buitenlanders in het buitenland en voor Nederlanders en buitenlanders in Nederland die in Nederland en het buitenland geïnteresseerd zijn: drasties.com!
Maar dat Jan zo dichtbij was, daar kwam ik pas een paar uur later achter, toen ik uitgevaren en uitgegeten was, en mijn computer aanzette. Dit stond er:
“We zijn maar even in Zurich, Apie.De Gotthard ging excellent. Voor de stoplichten even de benen strekken en hupsakee.Net ergens tegenover het hoofdstation in Zurich wat gegeten. Morgen door naar Koblenz. JdeW.” By drasties on 26/08/2012 – 19:43
Nou moe, dacht ik toen, dat is sterk! En dat dacht Jan later ook.
“Sterk!” schreef hij (by drasties) on 26/08/2012 – 20:10
Dus dat was het dan. Ik was inmiddels al weer ver weg. En hij ook. Nooit was ik zo dicht bij hem geweest als nu. En nooit is iemand, bij mijn weten, zo dicht bij hem geweest als ik. Want Jan is met raadselen omgeven. Jan bestaat. Maar hoe of wat of waar? We weten het niet.
Wat we wel weten is dat het een sympathieke websitebeheerder uit Thailand is, een expat. Daarheen verhuisd vanwege ja wisten we het maar. Er wordt gefluisterd dat hij vroeger kennis had aan de groten uit de financiele oplichtingswereld. Zelf snoeft hij in ieder geval dat hij met deze en gene in de auto heeft gezeten. Maar: dat kan als chauffeur, journalist, holmaatje, rechercheur, verkoper, garagemonteur bij proefritje, of zelfs als gekneveld slachtoffer geweest zijn. We weten het niet mensen. Of gewoon als vriend, kennis, goede of bange buur. Wie het weet mag het zeggen.
En dat sympathieke? Dat gerucht is ooit eens de wereld ingeroepen door Apiedapie zelve. Het mag nu misschien wel worden gezegd: ik blufte. Ik dacht dat hij sympathiek zou zijn. Maar ik wist het niet. En ik weet het nog altijd niet. Want ik heb de goede man nog nooit ontmoet. Uit de karige reacties op zijn site komt juist een wat stijve, stugge man naar voren, niet bijster sociaal invoelend, niet bijster communicatief. En een beetje dom. Maar dat kan schijn zijn. Ik ben in het echt ook veel leuker.
Jan heeft een paar leuke bloedjes van kinderen, en ook een mama van zijn kinderen, en hij rijdt ze tijdens zijn vakantie met veel plezier door Europa. En de toren van Pisa leggen ze niet van tevoren uit aan ma. Dat is, vind ik, een sympathiek trekje.
In feite is alles wat we van hem hebben het interview van een paar jaar terug. Hierin klapt hij behoorlijk uit de school over zijn jeugd, en over seks en zo, zie hier (let wel, dit interview vond plaats in een chatroom, en de foto is later opgestuurd, we weten dus niet 100% zeker of dit echt JdW is).
Dan hebben we ook nogeens de met veel raadselen omgeven episode waarin Jan met een zekere Anton van Vuren een nieuwe website – Blogsems – wilde opzetten. Zie mijn spetterende interview hier. De heren leken vrij close met elkaar, bijna een mannenliefde, maar ineens was het uit. Noch Jan noch Anton reageren op emailtjes, waarin ik om toelichting vraag. Maar op drasties.com is er wel ineens een wat vage afdeling die Blogsem (zonder s) heet. Merkwaardig. Wat u zegt!
Hond van Anton van Vuren
Het zou om geld gaan, zoveel is wel duidelijk, en vermoedelijk verschillen van mening over marketing en creatieve lijn, en intussen is het momentum voorbij. Van Anton van Vuren is daarna weinig tot niets meer gehoord, althans niet onder zijn echte naam, want op het internet weet je maar nooit.
Enfin, en nu had ik eindelijk dus de kans om Jan eens in het echie te zien. En is tie me weer ontglipt! Toeval? Opzet? Wist hij echt niet een dagje eerder dat hij in Zurich zou zijn? Ik had hem netjes mijn vakantieadres gemaild, bovendien ziet hij aan mijn IP-adres precies waar ik in de wereld ben en wanneer. Maar nee. Hij wilde zijn vakantie kennelijk niet bederven! *bezeerdkijkend icoontje*
We zullen het in ieder geval nooit weten, hij is al weer terug naar zijn fraaie villa in Aerdenhout. Een villa, waarvan gefluisterd wordt dat die een heel forse opknapbeurt nodig heeft, of zelfs dat Jan die aan een oude ietwat seniele tante heeft ontfutseld. Laten we het niet hopen, mensen. Wij willen dat Jan een onschuldige, vriendelijke websitebeheerder is. En dat gefluister moet maar eens afgelopen zijn! Waar gaat dit eigenlijk allemaal over? Kappen. En wel meteen. En laat dat vrouwtje nou eens uit die kelder, Jan!
Welkom thuis dus. Maak er een knalseizoen van, jongen. Doe het voor Ad Hok, Witte, Luvienna, Heer Rozenwater, Indra, Pimm’s, Ilona, mopperkont, Afzender, Lidy, Apiedapie, NaamNomName, DSR, wrhfd, Bertje, lalu, JaJu, riverside blues, Klare Taal, Plopje en alle anderen die ik vergeten ben (gelieve naam achter te laten in reactieveld, tekst wordt ge-update!).