Ik hou nog niet van golfen

Buiten onder het balkon van mijn hotel stopt een autootje. Een oude van dagen zwaait zijn benen half uit de auto en doet zijn golfschoentjes aan. Met een kam in de hand loop hij naar de koplamp, verstelt daar iets, of zag hij een vliegenpoepje, en kamt zorgvuldig zijn haar.

Dan groet hij een andere oude van dagen die met een al even klein autootje en een al even zo geringe snelheid zojuist heeft ingeparkeerd. Vlak naast de zijne, hoewel het parkeerterrein groot en leeg is. Vrienden. Ze gaan golfen.

Maandagochtend. De rest van Nederland werkt. En ik kijk naar ouden van dagen. Over twintig jaar mijn beurt? Ik hou nog niet van golfen.

Uit: Ochtendschimmen, verzameld werk,© 2012 Apiedapie

Advertenties

Wat omlaag gaat, gaat ooit weer omhoog

Vanwege mijn drukke beroep ga ik zelden naar de dokter. Maar als ik dan ga, dan kaart ik altijd meerdere opgespaarde kwaaltjes aan.

Vorige week had ik er vier: problemen met lezen, een stijve nek, slecht kunnen slapen, en een wat verminderde potentie.

De dokter onderzocht me en vroeg: “Heeft u stress?”

Ik antwoordde: “Niet meer dan anders.”

Hij gaf me een recept voor slaaptabletten en verwijsbriefjes voor de oogarts en voor de masseur. Het potentieprobleem zat waarschijnlijk tussen de oren.

“Stress”, zei hij terwijl hij mij uitliet. “Is het soms de beurscrisis, heeft u veel verloren de afgelopen jaren?”

Op mijn bevestigende antwoord lachte hij: “Niet te zwaar nemen. U kent het gezegde: wat omlaag gaat, gaat ooit weer omhoog!”

Bjorn is hier geweest met vriendin

Het was een miezerige zondagavond. Bjorn liep doelloos door de stad te dwalen. Zo doelloos als je alleen maar kunt zijn als je liefste vriendin het net heeft uitgemaakt. Als je weet dat je leven geen zin meer heeft. En als je weet dat je nooit meer echt gelukkig kunt worden.

In zo’n stemming kun je alleen nog maar gaan lopen. Zonder te kijken. En zonder dat het je kan schelen waar naar toe. Bewegen moet je. Je kunt niet binnen blijven zitten. En voor de rest maakt het je allemaal geen zak meer uit.

Hij voelde zich machteloos. Ze waren bijna een jaar gelukkig geweest. Hij had zich sterk gevoeld. Mooi. Geliefd. Bewonderd. Groot! En zij was stapelgek op hem geweest. Tenminste, daar ging hij nu aan twijfelen. Was het allemaal gespeeld dan? Hij had vanmiddag al haar emails weer gelezen. Sommige kende hij uit zijn hoofd. Haar chats op Skype. De gekke berichtjes op Facebook. De links naar muziek die ze had geplaatst. Met “I love you too!”

Nu leek het net alsof ze het toen al niet meende. Onzin natuurlijk. Gevoelens kunnen veranderen. Dat wist hij wel. Maar hij voelde zich verraden. En toen had hij alle emails en alle chats verwijderd. Op Facebook had hij haar niet alleen ontvriend, maar ook geblokkeerd. Zelfs zijn profielfoto mocht ze van hem niet meer zien.

Hij voelde een heel diepe pijn toen hij alles zat te deleten. Want het was wel definitief. Dat kon hij nu allemaal nooit meer bekijken. Ook de foto’s niet die ze vanaf hun mobiele telefoons naar elkaar hadden gestuurd. Wat als ze terug zou komen? Maar ze kwam niet terug, wist hij. Het was voorbij. Ze hoefde hem niet meer. Het zou nooit meer goed komen. Hij dacht terug aan het koude emailtje waarmee ze het, in één keer, ineens, zomaar, uit had gemaakt.

Een emailtje! Alsof hij een of andere spammer was. Ze had tijd nodig, had ze geschreven. Als ze voor elkaar bestemd waren, dan merkten ze dat vanzelf wel weer. Later misschien. Dat was onzin, wist Bjorne. Aan een relatie moet je werken. Zoiets gewoon aan het lot over laten is niet goed. En hij voelde zich als een blaadje dat in de herfst naar beneden dwarrelde. Totdat het op de grond lag in een grote plas.

Het regende. Onwillekeurig moest hij glimlachen. Als je in zo’n stemming buiten loopt dan regent het altijd, lijkt het wel. Maar zijn lach was niet echt. Zijn lach deed pijn. En hij werd kwaad. Hij werd woedend. Hij wilde het uitschreeuwen. En ineens deed hij het.

“TRUT!” brulde hij, met zijn kop in de koude wind. Er was niemand die het hoorde. Ze zaten allemaal binnen. “TRUT!” bulderde hij nog een keer. En meteen schaamde hij zich voor zichzelf. En was hij blij dat hij alleen was.

Hij schopte woest tegen een lantaarnpaal. Hard maar ook machteloos. De paal bewoog niet eens. En zijn voet deed pijn.

“Trut” zei hij zacht. “Raar tutje van me. Waarom doe je dit nou?”

En toen kwamen de tranen.

“Hé, we hielden toch van elkaar?”

En in gedachten keek hij haar aan. Hij zag haar ogen, die hem altijd zo vol brandende liefde hadden aangekeken. Zo diep. En pas toen zag hij waar hij was. De lantaarnpaal bij de sporthal waar ze elkaar voor het eerst hadden gekust. Hij keek aan de achterkant. En ja, hoor! Hoe was het mogelijk! De tekst die hij bijna een jaar geleden dolverliefd met een dikke viltstift op die paal had geschreven stond er nog: “Bjorn is hier geweest met vriendin”.

Hij moest toch weer lachen toen hij dacht aan die avond. “Niet mijn naam!” had ze uitgeroepen. Ze had toen nog een vriendje gehad. Die laatste i was bijna verdwenen op de bolle kop van het schroefje op de paal. De punt leek wel een vlaggetje. Ze hadden echt gegierd van het lachen.

Toen had ze hem aangekeken en zo ongelooflijk hartstochtelijk gekust, dat hij er nu weer de rillingen van kreeg. Heel even voelde hij haar warmte. Maar toen hij besefte dat het nooit meer zou worden als toen, werd de kou dieper dan ooit.

Zijn keel klapte dicht. Hij hijgde. Huilend liet hij zich met zijn rug langs de paal naar beneden zakken. Hij voelde de kou van de natte grond langzaam door zijn broek heen komen. Maar het kon hem niet meer schelen. Niets kon hem meer schelen.

En zo hebben ze Bjorn gevonden, de volgende dag. Hij was er geweest zonder vriendin, had hij alleen maar gemompeld. Hij was opgestaan en met zijn vader en moeder meegegaan. Die hadden niets gezegd, en alleen maar beschermend een arm om zijn schouders geslagen. Tussen hen in ging hij mee. De auto in. Naar huis.

Geschreven naar aanleiding van het bjornishiermetvrienden-initiatief van Jo Hendriks en Dianne Soli. Ook op Facebook. En kennelijk opnieuw van start gegaan? En nu ook: officieel erkend! 

Mijn vader vond zijn geluk omdat de mobiele telefoon nog niet bestond

Het was in de jaren tachtig. Het North Sea Jazz Festival vond nog plaats in Den Haag. En de mobiele telefoon was misschien al wel uitgevonden, maar nog niet echt in gebruik. Gelukkig maar. Voor mijn vader en mijn stiefmoeder. Rond deze tijd van het jaar vertellen ze het volgende verhaal aan iedereen die het horen wil. Wij – mijn zus en ik – kennen het uit ons hoofd.

Mijn vader zat in de taxi. Op weg naar North Sea Jazz. En naar misschien wel de belangrijkste date van zijn leven. Zij kwam uit Amsterdam. En hij uit Delft. Ze kenden elkaar van de middelbare school. Waren beiden voor elkaar de “eerste” geweest. Beiden waren ze met iemand anders getrouwd en ze hadden elkaar twintig jaar niet meer gezien. Op een schoolreünie waren ze weer met elkaar in contact gekomen. Haar man was overleden. En mijn vader was (gelukkig) gescheiden.

Ze hadden afgesproken elkaar in het Congrescentrum te ontmoeten, bij de jassen. Dan hoefden ze niet buiten in het gedrang voor de kassa te wachten.

“Pa!” had ik geroepen toen de taxi voorreed, “je gaat toch niet met een taxi helemaal naar Den Haag?” Hij had me alleen aangekeken. Dit is belangrijk, straalde hij uit. En ik keek ineens begrijpend naar zijn kortgeknipte haar en zijn nieuwe leren jasje. Ik gaf hem een vriendschappelijke stomp in zijn maag. “Ga d’r voor”, fluisterde ik, “je hebt het zo verdiend!”

Het Congresgebouw kwam in zicht. Toeterende auto’s, piepende trams, voortschuifelende voetgangers, allemaal in dezelfde richting. Een avondje uit voor de meesten. Voor mijn vader veel meer. “Hoeveel krijgt u van me?” vroeg hij afwezig aan de taxichauffeuse, een gezellige vrouw van middelbare leeftijd.

“Oh!” Hij voelde zich ineens draaierig worden. Zijn kaartje! Hij zag het thuis nog voor de spiegel liggen. Of ze om kan draaien? Naar Delft heen en weer en toch nog op tijd …? Nee, besefte hij. Nieuw kaartje kopen? Uitverkocht, wist hij, heel erg uitverkocht. Er was absoluut geen enkele mogelijkheid om zijn date te laten weten dat hij niet naar binnen kon. De doffe wanhoop moet bijna voelbaar geweest zijn, daar op de achterbank van die taxi.

De taxichauffeusse draaide zich om. “We rijden een rondje om,” zei ze lief, “naar de boulevard.” Het geluid van de motor kalmeerde mijn vader, en vreemd genoeg gleed de stress van hem af. Ze draaide zich weer naar hem om en keek hem aan. “Kom maar naast me zitten”.

En hier maken ze het verhaal altijd kort. Ze vonden dus hun geluk. In die taxi. En inmiddels zijn ze gelukkig getrouwd en al heel lang gepensioneerd. Zij schrijft stukjes. Mijn vader luistert veel naar muziek. Ze zijn een echt gelukkig paar. En dat allemaal omdat de mobiele telefoon toen nog niet echt was uitgevonden. En dankzij, maar ook ondanks … North Sea Jazz!

Hoera, vandaag mijn eerste topless vrouw op het strand gezien!

Hoera, daar was ze dan eindelijk. De eerste topless vrouw van het seizoen op het strand. Ik woon in zo’n beetje de meest preutse badplaats van Amerika. Dus dit mag best in de krant.

Het was wel een middelbare vrouw met 2-3 rollen vet om het middel. Gelukkig lag ze op haar buik en bleef liggen.

Want wat is er erger dan een topless middelbare vrouw met vetplooien die zich ineens op haar rug draait net op het moment dat jij een lollig stukje over haar staat te schrijven?

How stupid can you get?

Last weekend I ran a 10K road race and I came across this sign. I won’t reveal where exactly it was other than that it was somewhere in a city on the East Coast of the USA. I was so intrigued that I went back the following day with a photo camera. How can anyone think that anybody would take these stupid commands seriously?

1. Drive like your kids

Of course not! Not like my 12-year old son. But even if he was 18 I’d certainly not like to adopt his style of driving. Why would I?

2. Live here

And even if I came out of that car alive or without serious damage, I would of course not like to live with these people, who surely must be very sadly crazy.

I drove away, as stupefied as the day before. Over my head I heard a herring gull cry, it sounded like laughing.

Voor Koos Verweijen

Het was gewoon een aardige kerel die ik weleens in de sauna zag. We kletsten wat tijdens het omkleden. Of hadden het onder de douche over het weer. Ik wist niet eens zijn naam.

Hij was niet gelukkig. Hij maakte een eenzame indruk. Achter zijn glimlach en small talk verscholen zich bedroefde ogen. Hij kwam naar de sauna vanwege de yacuzzi. Dat was het enige dat hielp tegen zijn rugpijn, vertelde hij. Hij had financiële problemen. Een hypotheek die op hem drukte. Twee banen: door de week in een outdoor-zaak, een soort van Bever Zwerfsport. En in het weekend verkocht hij Kerstartikelen. Het hele jaar door. Hij snapte niet wat ik daar grappig aan vond.

De laatste tijd had hij het tegen me vooral over zijn broer. Die had hij jaren geleden een grote som geld gegeven om te investeren. Hij had geen verstand van geld. En zijn broer runde een beleggingsfirmaatje. Maar nu had hij dat geld hard nodig. Zijn broer weigerde het terug te geven. Al een jaar lang lagen ze met elkaar in de clinche. Zijn broer nam het hem zelfs kwalijk dat hij zijn geld terug wilde hebben.

“Jij bent alleen”, had hij gezegd, “Egoïst. Ik heb het geld nodig voor mijn kinderen, dat is ook jouw familie!”

Het vooruitzicht om tegen zijn eigen broer te moeten gaan procederen was nog pijnlijker dan het eigenlijke gevecht om het geld, glimlachte hij. En hij pakte zijn spullen en liep de kleedkamer uit. Ik was even van slag van dit verhaal, piekerde erover op weg naar huis in de auto, maar vergat het vervolgens.

Vandaag hoorde ik achter me in de kleedkamer iemand vertellen over een man die was overleden. Iemand die hier weleens kwam. “Je weet wel”, hoorde ik zeggen, “een aardige vent, meestal in een blauw t-shirt, hij had het altijd over zijn broer, en zijn geldzorgen.”

Ik vroeg wat er was gebeurd en hoorde dat de man drie weken geleden op een zaterdagmiddag na zijn werk zonder iets te zeggen was weggereden. Hij reed naar de allerhoogste brug in de buurt, parkeerde zijn auto en sprong naar beneden. Een uur later overleed hij in het ziekenhuis. Zijn naam was Koos Verweijen. Het gebeurde twee dagen voor zijn verjaardag. Hij zou 47 geworden zijn.

Thuis vond ik hem op een online condoleanceregister van een begrafenisonderneming. Voor het eerst las ik over zijn familie en zijn vrienden. Ik scrolde door het gastenboek. Maar 23 condoleanties. Vooral van collega’s. Ze hebben het over zijn opgewektheid, dat hij altijd voor iedereen klaar stond, en over dat het een “echt mens” was.

De enige nabestaande is, zo lees ik, een broer. Deze wordt in alle toonaarden sterkte gewenst met het verlies. “We bidden voor je in deze dagen van rouw”, “innigste deelneming” en “dat je in deze droevige tijden vooral de goede herinneringen moge koesteren”.

Tja. Och. Hm.

Koos Verweijen: moge je rusten in vrede.

Klik hier voor de Engelse versie/English version.

Moeders en vrouwen eren met het respect dat hen toekomt

We vieren moederdag met een brunch in New York. Chique Cubaans restaurant. Met de ober kletsen we over “Dia de las madres“, een dag waarop mannen hun moeders en vrouwen eren met het respect dat hen toekomt. Met waardering kijk ik mijn echtgenote na die is opgestaan om met ons zoontje naar het toilet te gaan. Prachtige vrouw.

“Komt u uit Cuba?” vraag ik aan de ober.

“Nee, Puerto Rico. Ooit geweest?” vraagt hij.

Op mijn ontkennende antwoord zegt hij: “Moet je doen. You will have a lot of fun! But you need to come alone …“.

En met een vette knipoog verwijdert hij zich naar de keuken.

Het Laatste Eindoordeel van De Schrijvende Rechter

Het was vandaag haar sterfdag. De ouwe rechter zat op het terras. Hij had kromgetrokken vingers. Een vermoeid gelaat. De stok, waarmee hij vroeger zulke ferme tikken kon uitdelen, stond naast hem tegen de stoel.

Zijn tachtig jaar oude kniebroekje had hij vanochtend voorzichtig uit de doos gehaald. Het was niet veel meer: geroeste gespjes met wat flarden textiel.

Hij was vijf jaar oud geweest, toen hij gele bloempjes voor zijn moeder had willen plukken, te ver vooroverboog en pardoes in de sloot belandde. Moeder had hem toen gered, het eendenkroos uit zijn haar gewassen en hem van top tot teen schoongeboend. Het voorval was hem zijn hele leven bijgebleven. Het plotse wankelen. Het koude water. Het niet kunnen ademen. De snelle reddende handen. En de rit naar huis, kletsnat, bij moeder achterop de fiets, nagejoeld door de dorpsjeugd.

En nu zat hij daar dan. Zoals elk jaar. Hij had de resten van het broekje eerbiedig voor zich op het tafeltje gelegd. Hij wist wat er komen zou en wachtte. Lees verder Het Laatste Eindoordeel van De Schrijvende Rechter

Besluit

Het ontbijt op zaterdagochtend was weer ontaard in ruzie. Kleine dingetjes. Grote dingetjes. Alle irritaties van de afgelopen week passeerden de revue.

Daarna gingen we, zoals al jaren, samen naar de markt, alsof er niets gebeurd was. Mijn vrouw bestelde een kilo druiven. Terwijl de marktkoopman wegliep om ze te gaan afwegen, kwam een collega van hem vragend overeind.

“Horen jullie bij elkaar?”

“Nee”, zei ik.