Valentijnsversje

In ons restaurant in het Franse stadje
at mijn tafelgenoot worst met een patatje.
Om ons heen was het Sint Valentijnsfeest.
Nooit was het lokaal zo romantisch geweest.

Ik at mijn foie gras met heel veel zin.
De Sint-Jacobsschelpen gleden er zachtjes in.
Ik bestelde een karafje rode Bordeaux
maar ook zijn cola met een rietje stond er zo.

Je t’aime”, stond er op de servetjes.
Nee, niet snuiten, dat is niet netjes!

Toen de koffie met het koekje werd geserveerd
vroeg hij zacht “Pa, wat doen wij nou verkeerd?
Mama houdt toch ook van lekker eten?
Waarom is ze ons alletwee vergeten?”

“Jongen”, zei ik met doffe stem
“Je moeder is veel gelukkiger met hem.”

Gedicht op aanvraag van Plopje, zie drasties. De prozaversie staat hier. Engels? Hebben we ook: Valentine Dinner.

Valentine Dinner

The restaurant owner in our French village had made an effort. Pink paper hearts on the walls. Romantic light. Sweet music.

The restaurant was sold out. Happy couples, young and old, around us. Flirting teenagers. Dads and mums without their children. And older couples: ‘monsieur’ in suit and tie, ‘madame’ in her best dress.

The foie gras was delicious. I ordered a glass of Bourgogne. And a cola. The coquilles St. Jacques – well cooked in butter sauce – went down with ease. So were the french fries and the saucages. It was a beautiful evening.

“Je t’aime”, was printed on the napkins. “Don’t fold an airplane out of these”, I warned with a smile.

When I drank my coffee and cognac, he reached out for my cellphone. “Can I call mummy? See where she is right now?”

“Sure dude, go ahead” I said and looked somewhere, beyond the ceiling.

Valentijnsdiner

De restaurantbaas van ons Franse dorpje had zijn best gedaan. Roze kartonnen hartjes. Romantisch licht. Zwoele muziek. De zaak is uitverkocht. Jonge en oude stelletjes om ons heen. Zwijmelende pubers. Papa’s en mama’s zonder kinderen. En oude paartjes, met ‘monsieur’ in driedelig pak en ‘madame’ in haar beste jurk.

De foie gras is heerlijk. Ik bestel een ‘demi pichet’ Bourgogne. En een cola. De Coquilles St. Jacques, boterzacht, glijden naar binnen. En de frietjes en de worstjes.

Het is een prachtige avond. “Je t’aime”, staat er op de servetjes.  Nee, geen vliegtuigje van vouwen, glimlach ik.

Als de koffie wordt gebracht, pakt hij mijn mobieltje en vraagt: “Mag ik mama bellen? Kijken waar ze nu is?”

“Ja, jongen, dat is goed”, zeg ik en kijk in de verte.

Ook verkrijgbaar in dichtvorm, als versje dus, en in het Engels.

Morgen is het de hele dag Valentijnsdag op Apie’s blog

In Mumbai leerde ik mijn levensles (13, slot)

Heel langzaam voelde ik weer dat er een wereld was. Ik werd wakker. Hoe laat het was wist ik niet. En dat wilde ik ook niet weten. Ik bleef stil liggen. En voelde een loomheid die best weleens Geluk zou kunnen zijn. Volkomen ontspannen. Rustig. Blij. Tevreden.

(Dit is een vervolgverhaal. De vorige aflevering staat hier)

Een flinterdun lakentje bedekte mijn naakte lijf. De airconditioning ronkte. Wat een nacht! Ik kon alleen maar dommig grijnzen. Een lang weekend Mumbai. Het leek een belachelijk idee. Maar het was op een life-changing event uitgedraaid.

Goed en kwaad, zo wist ik nu, zijn overal. Groot en klein. Het zit in iedereen. Wat je ermee doet, bepaal jezelf. Je kunt het kwaad proberen te begrijpen. Maar daarmee komt het bij je binnen. Met de angst. Of je kunt het observeren en gewoon erkennen dat het er is. En dan je eigen leven leiden. Wel alert zijn, maar niet bang. En zorgen dat je zelf, in je eigen kleine wereldje, in ieder geval het goede doet.

Ik had verbondenheid gevoeld. Ervaren hoe het is om met andere mensen te zijn. Ook al ken je ze niet. Je verbonden weten door gedeelde waarden als respect, fatsoen, liefde, normaliteit, en weten dat die bij de grote meerderheid horen.

Ik had ook weer eens, en het was niet de eerste keer, gemerkt hoe gemakkelijk ik me uit het veld kon laten slaan door vervelende gebeurtenissen. Agressie van anderen. Egoïsme. En weer had ik het allemaal veel te diep naar binnen laten gaan. Bijna had ik weer eens ervaren dat je je leven helemaal zelf kapot kunt maken door een te snelle reactie. Eén keer wegstampen bij je geliefde. Eén verkeerde email. Eén verkeerd woord, één verkeerde grap. Als je pech hebt, dan kan het voorbij zijn. Onherstelbaar.

Ik had de vrouw van mijn dromen ontmoet, en ik was gewoon bij haar weggelopen, vanwege niets, vanwege wat ballonnetjes. Waarmee zij niet eens iets te maken had! Als ze me niet – opnieuw – was gevolgd, dan zou ik haar verloren zijn. Voorgoed. Ze had zomaar uit mijn leven verdwenen kunnen zijn.

Slechtheid moet je niet willen begrijpen, want als het je lukt, dan word je zelf slecht, in ieder geval ga je er een stapje dichter naar toe. Het hertje moet alert zijn en weglopen als het nodig is. Dat is alles. En dan weer dooreten.

Oh, wat een nacht. Ja, ik had dus ook nog eens de vrouw van mijn dromen ontmoet!!! En … ze wilde een kind van me! Hoe vreemd het ook klinkt. We kenden elkaar nog maar 24 uur. Het was een heel sterk gevoel, zei ze, en ze had me met haar donkere ogen zo diep aangekeken dat ik er duizelig van werd. Yeah!!! En we leefden nog lang en gelukkig …

Ik draaide me zacht knorrend om en tastte naar haar heerlijke warme zachte lichaam.

Maar ze was weg. Ik lag alleen op het queensize bed. Ik keek op mijn nachtkastje. Mijn horloge was weg. Mijn gouden kettinkje. Mijn portemonnee, paspoort, camera, laptop … alles. Zelfs de luxe zeep- en shampooflaconnetjes uit de badkamer waren verdwenen. Het lege rieten mandje lag op zijn kop. Het deurtje van de mini-bar stond open. Leeg. Nog geen Beefeater had ze me gelaten. De TV was er nog, maar de afstandsbediening was ook weg. Alles!

“Strong! Super strong. Look!” galmde het in mijn hoofd.

De ballonnetjes had ze laten liggen.

Zucht, wat een roteinde. Het vorige deel (12) staat hier. En dit is dus het slot. 😦 Op drasties liep het beter af. Maar hier moet de waarheid regeren. Hoe triest ook. The End dus.

Joepie, we mogen meedenken over een Bloggers Paradijs

Zie JandeWit’s artikel over de voortgang bij het restylen van drasties: “Er wordt hard gewerkt aan een nieuw Bloggers Paradijs”. Hij nodigt iedereen uit om mee te denken. In het openbaar, niet achter gesloten deuren, maar gewoon waar het hoort: op de site zelf. En hij houdt ons op de hoogte van de voortgang.

Je bouwt, als ik het goed begrijp, in feite mee aan je eigen bloggerssite. Eh, als Jan luistert natuurlijk, en ook genoeg centjes heeft … Ook lekker spannend (James Bond is er niets bij): het wordt gedaan door een Rus die in Amerika heeft gewoond en door een webbeheerder die met zijn gezin in Thailand woont … Zelfs delen van het contract staan letterlijk op zijn site!

Mijn favoriet: “Our desire is to delight the client. One way is to make clear our understandings with each other.” stoer

Maar alle gekheid op een stokje: drasties is een drukbezochte site, waar altijd wat te doen is.

Je moet stevig in je schoenen staan, zoals paco painter bijvoorbeeld al heeft gemerkt, en cor verhoef, niet alleen je stukjes maar zelfs je foto’s kunnen door zelfbenoemde rechters en jury’s beoordeeld en door een enkeling zelfs worden herbewerkt (re:pix)  .. je moet er maar tegenkunnen, zie die van henk bijvoorbeeld of lidy broersma

Hm, ramirezi laten ze meestal met rust, afgezien van wat pretgedichtjes op zijn dieren  … maar het is spannend daar, je moet op je tenen lopen, en de sfeer is – als je door een paar verzuurde reageerders heen kunt prikken (lees: negeren of terugmeppen) – doorgaans vriendelijk, en soms absurd.

JandeWit is de onsympathieke founding father van drasties, een internationale website voor en door Nederlanders in den vreemde en in het binnenland. Jan woont met zijn gezin in Thailand en is afkomstig uit Brabant. zie een diepte-interview dat ik zelf met hem heb mogen hebben, twee jaar geleden, over zijn achtergronden en beweegredenen.

toikje logo

In Mumbai staarde ik naar Larry King (12)

Ik lag in mijn hotelkamer, in het Renaissance hotel in Mumbai. Alleen op het queensize bed. Suf naar CNN te staren. Larry King Live.

 

Ik nam nog een flesje Teachers uit de minibar. Het was de laatste. Voor de rest stonden er wat onduidelijke miniatuurtjes aan de binnenkant van het deurtje. Waarom al die andere rommel en maar twee flesjes van wat je echt nodig hebt? Wat moet je met een speelgoedflesje Bordeaux? Wat moet je met die smerige Beefeater? Wat moet je met vieze nootjes waar iedereen al in heeft zitten knijpen? Wat moet je met zo’n stom ronkend koelkastje? In tijden van depressie wil je iets anders. Je wilt een echte fles whisky. En je wilt … roken!

Ik gaf een harde trap tegen mijn rolkoffertje dat naast het nachtkastje stond. Roken? Dat was meer dan vijf jaar geleden! Dat doen we dus niet. De trolley lag op zijn kant. De modderige wieltjes draaiden nog na van het geweld. Het trieste tafereel werd weerspiegeld in de spiegel van de kast.

Als ik nu ga roken, dacht ik, dan is het afgelopen. Dan rook ik zo weer twee pakkies op een dag. Ik was zo trots. Ik voelde me zo goed. Dat gaan we niet doen. Ik draaide ‘room service’ en hoorde mezelf een pakje Marlboro light bestellen (met lucifers).
Soms doe je, als je diep in de put zit, steeds dommere dingen. Je weet dat je het doet. Je weet dat je het niet moet doen. Je weet dat je ermee op moet houden. En je weet dat je het kunt. Maar toch doe je het niet. Je kunt gewoon niet stoppen. En je zakt steeds dieper weg. In zo’n stemming was ik. Er was geen houden aan.

De telefoon ging. Ik nam niet op. De telefoon ging weer. Ik liet hem helemaal uitrinkelen. Jakkes, wat een lelijke man, die Larry King.

Er werd op de deur geklopt. Ik hees me overeind. Daar kwamen de sigaretten. Met een chagrijnige grom deed ik mijn kamerjas aan. Ik keek door het kijkgaatje en deed de deur open.

Daar stond mijn vriendin! Mijn droommeisje uit Mondegar. Mijn redding. Mijn wijs, wijs meisje. Ze zei niets. Teder kuste ze me op de lippen en duwde me op het bed.

Liefde, lieve mensen, overwint alles. Zolang mensen elkaar nog kunnen beminnen zoals wij die nacht, zolang is er nog hoop. En leven.

We zijn nu bijna klaar. Dit is het twaalfde en voorlaatste deel uit de serie. Deel elf stond hier. Deel 13 (slot) hier. En het is dus echt anders geworden dan de vroegere versie van drasties.  Let maar op. Hier wordt de waarheid verteld, hoe beschamend die misschien ook is.
Lees dit ook op mijn vkblog. Maar waarom zou je, het is hetzelfde.

Interview met JandeWit, hoofdredakteur van drasties

Onze reporter liep op de nieuwsjaarsborrel een bijzondere gast tegen het lijf: JANdeWIT, de onsympathieke founding father van drasties. Hij stemde toe in een exclusief interview, dat hieronder integraal wordt weergegeven. Drasties gaat een mooi jaar tegemoet, zoveel wordt wel duidelijk. Veel blijft ook in het ongewisse. Maar dat vinden we niet erg.

 

Drasties – private chatroom, 9 januari – “Jan”, steekt Apiedapie meteen van wal, “vertel eens wat over je jeugd? Hoe was het bij de DeWitjes thuis? Heb je altijd in Eindhoven gewoond?”

“Laten we het niet over Eindhoven hebben”, zegt Jan met een frons. “Ik kom uit Cuyk en ik weet nog goed hoe verloren ik me in de grote stad voelde. Het is ondanks die zogenaamde Brabantse gezelligheid een kille bedoening. Als er in de bus wel eens iemand naar je kijkt dan blijkt het altijd een bejaarde of een gek te zijn.”

Toch heeft Jan aan zijn studententijd goede herinneringen. Als rank gebouwd, intelligent en sociaal voelend jongmens lag hij goed bij zijn mede-studenten. Hij lacht het bescheiden weg en vertelt dat het zeker niet vanzelf ging.

“Ik droeg al op jonge leeftijd een bril, min negen. Dat heeft mijn puberteit overschaduwd. Ik vond mezelf lelijk met die dikke glazen. Ik had alleen mijn humor als wapen. Maar zelfs als de meisjes me dan wilden, dan kon ik het niet geloven en bleef ik de komiek spelen. Echt zoenen kwam er dus nooit van”

Lelijke eendje
Het lelijke eendje werd een aantrekkelijke jongen toen hij op zijn zeventiende contactlenzen kreeg. Dat was een tamelijk schokkende ervaring. Dan zie je hoe belangrijk uiterlijk is. Voor het eerst lachte het meisje van de bakker tegen hem.

“Toen gingen ze me eigenlijk weer overschatten”, zegt hij, “alsof ik een soort van held was. Je weet gewoon niet hoe je op mensen overkomt. Iedereen speelt een rol, bewust of onbewust. Het is als bij drasties. Je ziet niet alles wat er achter de toetsen schuilt. Zo was het toen ook. Ik kwam bijvoorbeeld op een sportschool. Daar had je van die stoere gasten, klerenkasten, spieren, hard kreunen, je kent het wel. Ik keek tegen ze op. Maar als je ze dan in de kleedkamer hoorde, dan bleken ze te stotteren.”

Hij buigt zich vertrouwelijk naar Apie toe. “Alles in het leven is toch schijn? Kijk nou in Woensel-West, het Baekelandplein. Voor mij de eerste kennismaking met betaalde liefde. Daar kon je zogenaamd het hoogste geluk bereiken. De mooiste vrouwen lagen daar klaar. Ik ben dus een keer zo’n droompaleisje binnengestapt. Pure nieuwsgierigheid. Apie, die vrouw die was zo verschrikkelijk lelijk! Ik wilde gelijk weer weg. Jekkes, als ik er nog aan denk hoe ze zich begon uit te kleden … Ik stond daar maar. Ik wilde haar niet kwetsen. Maar ze was zo ongelooflijk lelijk. Ik heb 25 gulden op de wastafel gelegd en ben weggerend.”

Geinen en flirten

Apie wil nu graag tot de kern van het interview doordringen: de mens achter drasties, de beweegredenen van JdW. Waren deze ervaringen de aanleiding om een website voor Nederlanders en de wereld op te bouwen? Een lekker kletsforum, waar je kunt geinen en flirten, maar waar je ook serieus je hoofd kunt schudden over dingen die gebeuren? Een virtuele bruine kroeg? Een sportschool waar watjes hun spieren kunnen laten zien? Een poppenkast voor plezier en illusies?

Zoals altijd heeft Apie weer zo’n ontspannen sfeer opgebouwd dat zijn gesprekspartner helemaal vergeten is dat hij in een interview zit.

Jan kijkt dromerig voor zich uit. “Och, lieve Apie”, zucht hij, “ik heb ook nog in Doornakkers gewoond, nu zo’n zogenaamde ‘prachtwijk’. Ik keek uit op een onduidelijk rommelterreintje. Daar woonde een zogenaamd asociaal gezin, in een soort van woonwagen. Pa, ma, een stel oudere kinderen, wat snotneuzen, honden, alles liep er. Nog net geen kippen, anders was het helemaal Roemenië geweest. Maar hoe gek het misschien ook klinkt: ze hadden het naar hun zin. Ze liepen in feite altijd te lachen en te stralen. Ze maakten zo’n blije indruk, zelfs als ze tegen elkaar liepen te schelden. Ik had er zo tussen willen springen. Lekker mee doen. Ouwehoeren. Mekaar stompen. Schoppen. Omhelzen. Onzin vertellen. Lachen. Huilen. Schreeuwen. Zoenen. Wie zegt dat zij de asocialen zijn? Misschien zijn wij het wel! We moeten gewoon veel meer van elkaar genieten op deze wereld. Zonder remmingen. Dat is drasties!”

Dit interview is gepubliceerd op 10 januari 2009. De perikelen met Vkblog, maar ook het jojobeleid ten aanzien van weblogs.nrc en drasties zelf waren toen nog niet aan de orde.

In Mumbai sloeg ik door en stampte weg (11)

Met een glimlach haalde ik mijn zakje ballonnen tevoorschijn. Ik viste er een mooie gele uit. Geel met kleurige spikkeltjes. Maar wat was dat? Dat was een gewoon klein ballonnetje! Ik greep naar de andere en liet ze één voor één door mijn vingers gaan. Het waren allemaal doodgewone ballonnetjes.

Ik realiseerde me dat ik was opgelicht. De man moest het zakje stiekum onder de zak met de grote ballonnen vandaan hebben gehaald terwijl ik mijn geld zocht. Zelfs mijn vriendin, toch wel iets gewend, stond paf. Ze keek me met een frons aan. Verbaasd.

mumbai ballonnetjes

Ik voelde me ineens heel zwaar worden. Ik hoorde niets meer. Ik zag niets meer. Ik begon te zweten. Ik was niet gewoon geïrriteerd. Ik was diep en diep teleurgesteld. In de hele mensheid. Het was een van mijn bekende zwakten. En ik werd er nu weer mee geconfronteerd. Hier in Mumbai. Kleine dingen te diep naar binnen laten dringen. Niet gewoon accepteren dat ze gebeuren, maar per se willen begrijpen waarom ze gebeuren.

„Expecting the world to be fair to you because you are a good person is like expecting the buffalo not to charge because you are a vegetarian“ luidt het gezegde (shari barr).

Ik wist dat wel. Maar ik dacht zo niet. En ik voelde zo niet. Niet toen, niet daar op dat terras van de Renaissance in Mumbai. Ik wilde altijd begrijpen waarom mensen kwade dingen doen. En daarmee werden kleine dingen soms heel groot. Trillend van woede zei ik, meer tegen mezelf dan tegen mijn vriendin: “Hoe kan iemand met wie je vriendelijk staat te praten, zoiets gemeens doen! Het zijn echt niet die rottige twee of drie dollar. Het is de intentie. Het is kwaad doen tegen de ander. Het is alleen voor jezelf leven. Het is laag. Het is … terreur!”

Ik snapte ineens dat het grote kwaad dat over de stad was gekomen nog steeds weerspiegeld werd in het kleine kwaad dat overal loerde. In mensen die andere mensen willen bedriegen. Beliegen. Vertrappen. En vernederen. Dat is de wereld, dacht ik. En dat, helaas, is niet alleen Mumbai. Dat is de wereld. Overal.

Ben je arm? Ga stelen!
Raak je je baan kwijt? Spuug op iedereen die wel werk heeft!

Wordt de huur van je huis opgezegd? Gooi de ruiten in van McDonalds!
Word je gepest? Sla d’er op!
Ben je ongelukkig? Steek in op iedereen die wel gelukkig is!
Ben je niet populair bij de meisjes? Koop een automatisch geweer en schiet ze overhoop!
Wil er niemand met je vrijen? Lok een schoolmeisje mee en verkracht haar in je kelder!
Vindt iedereen je een loser? Schiet John Lennon dood!
Heb je de pest in? Pleeg een aanslag op iemand, geeft niet wie!
Heb jij de tering in? Krijg allemaal maar de tering!
Klap!
Dood!
Over!
KAN JOU HET ROTTEN!

Dat is de wereld, dacht ik. Wie durft er nog te dromen? Wie durft er nog te geloven in het goede? Het kwaad is overal. En het gaat niet meer weg. Dat is de realiteit. Wat een triest, triest leven.

Of er nog iets zijn moest, vroeg de ober en hij glimlachte uitnodigend.
Mijn vriendin keek hem zwijgend aan en schudde slechts het hoofd. De man keek kort naar de ballonnetjes die op de tafel lagen uitgespreid en trok zich terug.
Ik schoof mijn stoel met een verbeten gezicht achteruit en stampte weg. Ik wilde alleen zijn. Ver weg van alle mensen.
Dit triest verhaal is er eentje in een serie. Aflevering 10 staat hier. Aflevering 11 hierboven dus. En aflevering 12 komt hier te staan. Ik kan niet garanderen dat het nog goed komt.

Het verhaal dat op drasties stond is niet langer maatgevend voor wat er echt is gebeurd. Dat, lieve lezers, wordt hier uit de doeken gedaan.

Bijna dood in de Australische woestijn

Een gescheiden vader gaat samen met zijn 5-jarige dochter kamperen, ergens heel diep in de Australische woestijn. Hun auto vliegt in de brand. Ze zijn honderden kilometers van de bewoonde wereld. Ze hebben alleen maar wat water en ze lopen in de brandende zon tegen beter weten in te dwalen. ’s Nachts schuilen ze huiverend bij elkaar. Het duurt al zeven dagen en nachten. Het einde is nabij.

Het meisje zakt in elkaar. De vader weet dat zij niet lang meer te leven heeft. Zelf kan hij ook niet meer. Het water is op. De zon brandt genadeloos. En ze hebben al die tijd niets gegeten. Dan horen ze een helikopter, de man zwaait met zijn hemd, schreeuwt met schorre stem tegen de hemel … maar de helikopter vliegt weg. Geschokt draait mijn zoon zich om: “Nu is het afgelopen!” zegt hij in wanhoop, “dat was hun laatste kans”.

Ik kijk met hem naar een episode van “I shouldn’t be alive“, een tv-serie op Animal Planet over mensen die aan de dood ontsnapt zijn. Ze spelen zich meestal af in de vrije natuur – met lawines, schipbreuken, bosbranden of andere rampen – en laten zien hoe de hoofdpersonen het nèt redden. Gebaseerd op echte gebeurtenissen.

Het is deze keer wel heel confronterend. Ik zie aan mijn zoon dat hij de spanning nauwelijks meer trekt en ik overweeg om naar een andere zender te zappen. Het gaat over een vader met zijn kind. Mijn zoon vereenzelvigt zich te veel met het meisje. En ik met de vader, als ik eerlijk ben.

Uiteindelijk zakt de vader door de knieën en graaft in uiterste wanhoop met zijn blote handen een ondiepe kuil, om zijn stervende dochter nog een beetje schaduw te bieden. Mijn zoon draait zich diepgeschokt naar me om. “Dat kan haar graf zijn, papa!” roept hij uit. Dat zat ik me net ook te bedenken. Zo treurig. Zo erg. Ik moet dit afzetten.

De vader graaft huilend door. Het meisje beweegt niet meer … ineens draait mijn zoon zich naar me om. Zijn gezicht is een en al opwinding, verrukking en heel grote opluchting.

“Papa!” zegt hij nadrukkelijk en met een stralende lach die je alleen maar hebt als je net iets groots hebt ontdekt, “als ze gefilmd worden … dan zijn ze niet alleen! Er is een cameraman bij! Die kan ze redden!!”

de trailer staat hier:
a dad’s worst nightmare